REGLEMENT houdende vereenvoudigde bepalingen voor spoorwegen, als bedoeld in artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), op welke geen vervoer plaats heeft dan met eene snelheid van ten hoogste vijf en dertig (35) kilometer per uur.

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen. Toepasselijkheid van dit reglement.
1. Dit Reglement geldt voor de spoorwegen, waarop geen vervoer plaats heeft, dan met eene snelheid van ten hoogste vijf en dertig (35) kilometer per uur, indien het door den Minister van Waterstaat, op verzoek van bestuurders van den spoorwegdienst op hunnen spoorweg van toepassing is verklaard.

2. De Minister is bevoegd te allen tijde op eene krachtens het vorige lid genomen beschikking terug te komen.
HOOFDSTUK II.

Afwijkingen van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

Verantwoordelijkheid der ondernemers.
3. Voor op openbare wegen aangelegde gedeelten van spoorwegen, waarop dit reglement toepasselijk is, geldt in afwijking van art. 1 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) de navolgende bepaling:
Ondernemers van een spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de schade door reizigers of tot vervoer aangenomen goederen bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan.

Vervoer bij staking van den dienst.

4. Ingeval van staking van den dienst op een spoorweg, voor welken dit reglement geldt, zijn in afwijking van art. 8, eerste lid, der aangehaalde wet bestuurders niet verplicht voor het vervoer van personen en goederen in de richting van den spoorweg te zorgen.

Oprichting van stations en halten.

5. Bij deze spoorwegen mogen ook óp andere punten, dan daartoe krachtens art. 25 der aangehaalde wet door den Minister van Waterstaat zijn aangewezen, halten en stations Worden gemaakt.

Dienstregeling.

6. In afwijking van art. 26 der aangehaalde wet blijft bij spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, indien niet krachtens Koninklijke machtiging met bestuurders van den spoorwegdienst eene andere regeling is getroffen, de bepaling van de uren van vertrek en aankomst, van het kleinst getal der dagelijksche treinen en van het kleinst getal der rijtuigen van elke klasse, dat tot eiken trein behooren moet, aan die bestuurders overgelaten.

Verlaging van tarieven.

7. In afwijking van art. 29 der aangehaalde wet kan bij spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, verlaging van tarieven niet worden bevolen.

Verplichting tot vervoer.

8. Voor deze spoorwegen geldt in afwijking van art. 31 der aangehaalde wet de navolgende bepaling :
De ondernemers zijn verplicht de reizigers en de ten vervoer aangeboden goederen te vervoeren tegen geene hoogere prijzen dan in de tarieven zijn bepaald, en overigens met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk IV (art. 27—86) van dit reglement.
Doorgaand verkeer.

9. In afwijking van art. 32 der aangehaalde wet zijn bij spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, de ondernemers van den dienst tot nakoming van de in dat artikel omschreven jj verplichtingen slechts gehouden, voor zooveel betreft de verhouding van hunnen spoorweg tot spoorwegen, waarop wel de wet van 9 April i 1875 (Staatsblad n°. 67) doch niet dit reglement van toepassing is.

Afsluiting.

10. Voor de afsluiting van de spoorwegen, op welke dit reglement van tóepassing is, gelden in afwijking van art. 33 der aangehaalde wet de bepalingen van art. 15 van dit reglement.

Brandstrooken.

11. In afwijking van art. 33a der aangehaalde wet zijn bij deze spoorwegen bestuurders slechts ten aanzien van door den Raad van Toezicht aangewezen gedeelten tot nakoming van de in dat artikel genoemde verplichtingen gehouden.

Toegang tot den spoorweg.

12. In afwijking van de artikelen 43 en 44 B der aangehaalde wet zijn bij de spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, de in die artikelen vermelde handelingen slechts voor zooveel betreft de op eigen baan aangelegde gedeelten verboden.

Beschikking over de spoorwegen in het belang van ’s Rijks dienst.

13. Indien krachtens Koninklijke machtiging ten aanzien van een spoorweg, voor welken dit reglement geldt, met ondernemers van den spoorwegdienst eene regeling is getroffen betreffende een der onderwerpen vermeld in de artikelen 45 tot en met 48 der aangehaalde wet, dan geldt die regeling in afwijking, van het ten aanzien van dat onderwerp in die artikelen bepaalde.
HOOFDSTUK III.
Onderhoud van weg en werken.

14. In afwijking van art. 1 van het aangehaalde reglement geldt voor spoorwegen, waarop dit reglement van toepassing is, de navolgende bepaling:

De weg en de daartoe behoorende werken worden zoodanig onderhouden, dat die veilig met de daarop overeenkomstig art. 19 van dit reglement toegelaten grootste snelheid kunnen worden bereden.
Afsluiting en bewaking van den spoorweg en andere maatregelen op gevaarlijke punten.

Waarschuwingsborden.

15. In afwijking van art. 5 van het aangehaalde reglement gelden voor de spoorwegen, waarop dit reglement van toepassing is, de navolgende bepalingen:
1. Door den Minister van Waterstaat kunnen, het betrokken provinciaal bestuur en bestuurders van den betrokken spoorwegdienst gehoord, bewaking, afsluiting of andere door den spoorwegdienst te nemen maatregelen worden voorgeschreven.
2. Langs den spoorweg en langs de over-, wegen worden op die punten, waar de Raad van Toezicht zulks, het betrokken provinciaal bestuur en bestuurders van den betrokken spoorwegdienst gehoord, noodig oordeelt, door den spoorwegdienst waarschuwingsborden geplaatst en onderhouden. Vorm, afmetingen en opschriften dier borden behoeven de goedkeuring van genoemden Raad.

Seinreglement,

16. In de plaats van het in art. 8 van het aangehaalde reglement bedoelde seinreglement, treedt bij deze spoorwegen eene afzonderlijke afdeeling van het dienstreglement, bedoeld in art. 6 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67), welke afdeeling den naam van Seinreglement zal dragen.

Toegang tot den spoorweg.

17. In afwijking van art. 9 van het aangeI haalde reglement gelden voor deze spoorwegen I de navolgende bepalingen :
– 1. Het is aan een ieder, wïen het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden over de openbare of particuliere overwegen of | over de uitwegen of voetpaden, waar deze den spoorweg kruisen, te gaan of te rijden, wanneer een trein in aantocht is.
– 2. Het is aan een ieder verboden over de overwegen, uitwegen en voetpaden, waar deze den spoorweg kruisen, ploegen, eggen: en andere dergelijke gereedschappen, alsook boomstammen en zware voorwerpen te sleepen. Deze moeten over de overwegen, uitwegen of voetpaden worden gedragen, of met wagens of sleden worden vervoerd.
– 3. Bij spoorwegen of spoorweggedeelten, welke niet op eigen baan zijn aangelegd, en bij welke dus, overeenkomstig art. 12 van dit reglement de in de artikelen 43 en 44 van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) vermelde handelingen niet verboden zijn, is het verboden:
a. met of zonder voertuig op den spoorweg te verblijven of paarden, vee of andere dieren daarover te drijven, wanneer een trein in aantocht is, en dezen daardoor of op eenigerlei andere wijze in zn’n loop te belemmeren;
b. den spoorweg te berijden met niet tot den -spoorwegdienst behoorende voertuigen, welke er op ingericht zijn, om een of meer der wielen langs de spoorstaven te doen loopen.

Verlichting en verwarming der rijtuigen.

18. In afwijking van het derde lid van art. 25 van het aangehaalde reglement gelden voor deze spoorwegen de navolgende bepalingen :
De rijtuigen moeten voorzien zijn van voldoende middelen tot verlichting. Zij zijn gedurende den tijd, dat zij ten dienste van het publiek gebruikt worden, des nachts behoorlijk verlicht en van 15 October tot en met 15 April ,op voldoende wijze verwarmd. Voor zooveel betreft de verwarming der rijtuigen kan door den Minister van Waterstaat van deze bepaling ontheffing worden verleend.

Snelheid.

19. In afwijking van art. 39 van het aangehaalde reglement gelden voor deze spoorwegen de navolgende bepalingen:
1. De snelheid, waarmede de treinen worden Vervoerd, mag die van 35 kilometer in het uur niet overschrijden.
2. Zij moet worden verminderd overal waar de maximum-snelheid gevaar kan opleveren.
3. Het maximum der snelheid wordt alsdan bepaald, door den Raad van Toezicht, na bestuurders van den betrokken spoorwegdienst en, voor zooveel betreft baanvakken op den .openbaren weg aangelegd, ook het betrokken provinciaal bestuur te hebben gehoord.
4. Ook kan voor bepaalde punten door dien Raad worden voorgeschreven, dat en op welke wijze een beambte van den spoorwegdienst voor den trein uit zal gaan.
5. Op beslissingen door den Raad van Toezicht krachtens bovenstaande bepalingen genomen is art. 70 van het aangehaalde reglement van toepassing.

Afstand tusschen opeenvolgende treinen.

20. In afwijking van art. 44 van het aangehaalde reglement gelden voor deze spoorwegen .de navolgende bepalingen:
1. Een trein mag een anderen trein niet -volgen, voordat laatstgenoemde trein ten minste vijfhonderd meter verwijderd is. Deze afstand wordt tusschen twee opeenvolgende in beweging zijnde treinen zooveel mogelijk bewaard.
2. Bovenstaande bepaling is niet van toepassing op rangeerende treinen.
21. In afwijking van art. 47 van het aangehaalde reglement gelden voor deze spoorwegen de navolgende bepalingen:
1. Treinen, geheel bestaande uit materieel van spoorwegen, waarop wel de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) doch niet dit reglement van toepassing is blijven ook indien zij rijden op de spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, onderworpen aan de voorschriften betreffende samenstelling, reminrichting, treinseinen, enz. welke voor de eerstbedoelde spoorwegen van kracht zijn.
2. De Baad van Toezicht kan deze bepaling geheel, ten deele of voorwaardelijk buiten werking stellen.

Vervoer van hinderlijke personen, dieren en voorwerpen.
Maatregelen van orde.

22. De artikelen 55 tot en met 58 van het aangehaalde reglement zijn op deze spoorwegen niet van toepassing. Zij worden vervangen door de artikelen 39, 40, 51 en 57 van dit reglement.

Publicatie van reglements- en wetsbepalingen.

23. In afwijking van art. 59 van het aangehaalde reglement gelden voor deze spoorwegen de navolgende bepalingen :

1. Een door den Raad van Toezicht goedgekeurd uittreksel uit dit reglement, uit dat voor de spoorwegen, bedoeld in art. 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), voor zooveel hier van toepassing, uit de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) en uit die van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), bevattende de voorschriften door het publiek in acht te nemen, moet in elk rijtuig en in elke rijtuig afdeeling,
wijze, dat het duidelijk leesbaar is, worden opgehangen of aangeplakt.

2. In dat uittreksel worden ook de straffen vermeld, welke op overtreding van bovenbedoelde bepalingen zijn gesteld, en worden voorts ‘opgenomen de artikelen 164, 165, 179—183, 350, 351 en 3516/« van het Wetboek van Strafrecht.

Publicatie van tarieven.

24. Voor deze spoorwegen gelden niet de artikelen 63 en 64 van het aangehaalde reglement.
Spoorwegen niet voor het openbaar verkeer |opengesteld, of uitsluitend voor het vervoer van goederen bestemd.

Overtreding van uitvoeringsvoorschriften.

25. Op deze spoorwegen zijn de artikelen 68 en 69 van het aangehaalde reglement niet van toepassing.

Toepasselijkheid van reglementsbepalingen op bestaande spoorwegdiensten.

26. Op deze spoorwegen is artikel 71 van het aangehaalde reglement niet van toepassing.
HOOFDSTUK IV.

Bepalingen betreffende het vervoer van personen en goederen.

Afdeeling I.

ALGEMEENE BEPALINGEN.

Verplichtingen’ van de beambten en bedienden van den spoorwegdienst.

27.
1 De beambten en bedienden van den spoorwegdienst moeten zich beleefd tegenover het publiek gedragen en, voor zoover dit met hun dienst overeen te brengen is, de noodige Voorkomendheid inachtnemen.

2. Zij waken tegen overtredingen en trachten die door gepaste waarschuwingen te voorkomen.

3. Zij mogen voor hunne dienstverrichtingen aan het publiek geene belooning of fooien vragen.

4. Zij rooken niet, wanneer zij, in dienst, met het publiek in aanraking zijn.
Verhouding van het publiek tegenover de beambten en bedienden van den spoorwegdienst.

28. Het publiek ia verplicht de voorschriften op te volgen, welke door de beambten en bedienden van den spoorwegdienst, aan hunne dienst kleeding kenbaar, of van eene aanstelling of van een’onderscheidingsteeken voorzien, in het belang van de orde en veiligheid worden gegeven.

Toegang tot den spoorweg en tot de stations.

29.
1. Het is aan een ieder, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden :
a. zich te begeven in die gedeelten van stations of op die gedeelten van den spoorweg, welke niet voortdurend of tijdelijk voor het publiek zijn toegankelijk gesteld;
b. zich te begeven naar wachtkamers en gaanderijen, van waar de treinen toegankelijk zijn, of het station te verlaten langs een anderen dan den daarvoor aangewezen weg;
c. zich te begeven in eene wachtkamer van eene hoogere klasse dan op zijn plaatsbewijs is aangegeven, wanneer hem dat door bestuurders van den spoorwegdienst of hunne beambten of bedienden wordt verboden;
d. aan mannen, zich te begeven in de vertrekken of lokalen, uitsluitend voor vrouwen, bestemd.

2. Het is aan een ieder verboden de wachtkamers door spuwen of op andere wijze te verontreinigen, te rooken in de wachtkamers, waar dit niet is toegelaten, alsmede zich in een staat van dronkenschap te bevinden of rumoer te maken op stations.

3. Personen, in kennelijk beschonken toestand en personen, die wegens de ziekte of ongesteldheid, waaraan zij lijden, of wegens andere redenen voor reizigers hinderlijk of gevaarlijk kunnen zijn, worden niet in de wachtkamers toegelaten of zich daarin bevindende, daaruit verwijderd; zoo zij reeds van een plaatsbewijs voorzien zijn, ontvangen zij den vrachtprijs Voor het vervoer van hun persoon en hun bagage na aftrek van de vracht voor den reeds afgelegden weg terug, tegen intrekking van het plaats- en bagagebewijs.

4. Mede worden in de wachtkamers niet toegelaten of daaruit verwijderd dieren en voorwerpen, welke door hun aard of door hun omvang gevaarlijk of hinderlijk voor de reizigers zijn.

5. Geladen vuurwapenen worden nimmer toegelaten. De beambten van den spoorwegdienst zijn bevoegd te onderzoeken of vuurwapenen, ook die in zakken of kisten besloten, geladen zijn.
Toegang tot de treinen.

30.
1. Het is aan een ieder verboden :
a. zich zonder toestemming van een beambte of bediende van den spoorwegdienst op een motor of in een wagen te begeven;
b. zich zonder behoorlijk plaatsbewijs in den trein te bevinden, tenzij na de eerste waarschuwing van den beambte of bediende van den spoorwegdienst de plaats, waar men is ingestapt, en de plaats van bestemming wordt opgegeven en de vervoersprijs daarheen wordt betaald tegen ontvangst van een plaatsbewijs
c. zich in een rijtuig of afdeeling daarvan van eene hoogere klasse te begeven, dan door het plaatsbewijs is aangegeven, tenzij dit tegen bijbetaling van den hoogeren vrachtprijs is toegelaten;
d. verder te reizen dan het station, waarvoor het plaatsbewijs is genomen, zonder hiervan vooraf kennis te geven aan den beambte of bediende van den spoorwegdienst en onmiddellijk de bijkomende vracht te betalen;
e. een plaatsbewijs te verminken of onleesbaar te maken of te weigeren het te vertoonen of af te geven, zoodra zulks door een beambte of bediende van den spoorwegdienst wordt verlangd;
ƒ. zich in de rijtuigen of op de balcons te begeven, indien daardoor een groter aantal plaatsen wordt ingenomen, dan daarin of daarop blijkens het opschrift beschikbaar is;
g. de rijtuigen te verlaten aan eene andere zijde dan die daartoe eventueel is aangewezen ;
h. in het algemeen bij het plaats nemen in de rijtuigen of het verlaten daarvan af te wijken van de aanwijzingen, door de beambten en bedienden van den spoorwegdienst gegeven;

i. in de rijtuigen te gaan of pogingen daartoe aan te wenden of anderen in hunne pogingen daartoe behulpzaam te zijn, wanneer de trein reeds in beweging is of het sein van vertrek is gegeven, alsmede den trein te verlaten, wanneer deze nog niet stilstaat;
k. te rooken in’ afdeelingen van rijtuigen, waar dit op duidelijke wijze door bestuurders van den spoorwegdienst is verboden; met het rooken in die afdeelingen wordt gelijk gesteld! het zich aldaar met brandende tabak bevinden ;
i. aan mannen, om zich te begeven in rijtuigen of afdeelingen van rijtuigen, welke alleen voor vrouwen mochten zijn aangewezen ;
m. de rijtuigen door spuwen of op andere wijze te verontreinigen.

2. Met dengene, die zich zonder behoorlijk plaatsbewijs in den trein bevindt, wordt gelijkgesteld hij, die bij het opvragen der plaatsbewijzen na aankomst van den trein op het terrein van den spoorweg niet in het bezit is; van een behoorlijk niet verminkt of onleesbaar gemaakt plaatsbewijs of dit weigert te vertoonen of af te geven.

3. Voor de naleving van de bepaling van het vorige lid alsmede van de in het eeiste lid sub b, e, d en e voorkomende bepalingen wordt ten aanzien van kinderen beneden de tien jaar, die niet vrachtvrij worden vervoerd, hun geleider aansprakelijk gesteld.

4. Weigeren zij, die niet voorzien zijn van een behoorlijk plaatsbewijs, na waarschuwing, betaling van den vervoersprijs, dan worden zij uit den trein verwijderd, onverminderd de straf op overtreding van dit reglement gesteld.

5. Op hen, die volgens de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) recht hebben op kosteloos vervoer op den spoorweg, zijn bovenstaande bepalingen alleen van toepassing, in zooverre als met dat recht en met de bevoegdheden in die wet gegeven is overeen te brengen.
Zij moeten voorzien zijn van het bewijs van hun voormeld recht en dit of een bewijs van vrij vervoer op verlangen der beambten of /bedienden van den spoorwegdienst vertoonen.

Beperking der verplichting tot vervoer.
31.
1. Wanneer de dienst gestaakt is of de gewone middelen van vervoer niet toereikend zijn, kan het vervoér met een bepaalden trein niet geëischt worden.

2. Wanneer de loop van den trein gestoord is, zoodat daarmede de reis niet kan worden aangevangen of voortgezet, kunnen de reizigers den vrachtprijs voor den niet afgelegden weg terug ontvangen, tegen quitantie en teruggave van het plaatsbewijs. Deze bepaling geldt ook voor houders van plaatsbewijzen voor’de reis heen en terug.

3. Verhindering van vervoer en vertraging der treinen moeten onmiddellijk aan het publiek op duidelijk zichtbare wijze zoo nauwkeurig mogelijk worden bekend gemaakt.

Betalingen.

32. 1. Alle betalingen geschieden met gangbare Nederlandsche muntspeciën, munt- of bankbiljetten.

2. De betalingen voor plaatsbewijzen kunnen in afgepast geld worden gevorderd.

Afdeeling II.

VOORWAARDEN VOOR HET VERVOER VAN REIZIGERS EN BAGAGE.

A. Reizigers. Dienstregeling. Tijd van vertrek.

33. 1. Het personenvervoer geschiedt volgens de dienstregeling, aangekondigd en gepubliceerd overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 62 van het algemeen reglement voor de spoorwegen, bedoeld in art. 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118).

2. Het vertrek der tremen wordt geregeld naar de uurwerken op de stations, of bij ontstentenis daarvan naar het uurwerk van den beambte met de leiding van den trein belast.

Publicatie tarieven.

34. In of nabij elk wachtlokaal, en zoo dit door den Raad van Toezicht wordt bepaald, in elk rijtuig of elke rijtuigafdeeling wordt een afdruk of een door den Raad van Toezicht goedgekeurd uittreksel van de op den spoorweg geldende gewone tarieven voor het vervoer van personen op eene wijze, dat het stuk duidelijk leesbaar is, opgehangen of aangeplakt.

Uitgifte plaatsbewijzen.

35. 1. Aan de stations, waar plaatsbewijzen worden afgegeven, moeten de bureaux met de afgifte belast, ten minste twintig minuten vóór het vertrek van de treinen geopend zijn.

2. Drie minuten vóór het vertrek van een trein behoeven geene plaatsbewijzen meer te worden afgegeven.

Vervoer van kinderen.

36. 1 Voor kinderen beneden den leeftijd van drie jaar wordt, zoo zij geene afzonderlijke plaats innemen, geen vrachtprijs gevorderd.

2. Bij twijfel omtrent den leeftijd van kinderen beslist de beambte van den spoorwegdienst, met de contröle der plaatsbewijzen belast.

Plaatsnemen in de rijtuigen.

37. 1. Er worden geene plaatsbewijzen voor bepaald aangewezen plaatsen in de rijtuigen afgegeven en deze kunnen niet vooruit besproken worden.

2. De beambten en bedienden van den spoorwegdienst zijn bevoegd, en op verlangen der reizigers verplicht, hun plaatsen aan te wijzen.

3. Indien in den trein afdeelingen uitsluitend voor vrouwen bestemd mochten zijn, worden jongens beneden den leeftijd van dertien jaar, door vrouwen begeleid, in die af deelingen toegelaten.

4. Een reiziger, die zijne plaats verlaat, zonder daarop eenig voorwerp te laten liggen, moet, wanneer die plaats inmiddels door een reiziger is bezet, zich met eene andere plaats tevreden stellen.

5. De vensters moeten, wanneer één of meer reizigers zulks verlangen, aan de windzijde gesloten zijn.

Rooken in de rijtuigen.

38. Het rooken is verboden in alle rijtuigen of afdeelingen daarvan, in welke dat verbod duidelijk zichtbaar is aangegeven. Wordt in een rijtuig gerookt uit tabakspijpen, dan moeten deze van een dopje voorzien zijn. ‘

Bepalingen omtrent personen, die voor de medereizigers Kinderlijk zijn.

39. 1. Personen in kennelijk beschonken staat worden niet in de rijtuigen toegelaten, en, zoo zij toch in de rijtuigen mochten hebben plaats genomen, daaruit, vóór het vertrek van den trein of op het eerste station, waar daartoe gelegenheid is, verwijderd.

2. Personen, die wegens de ziekte of ongesteldheid, waaraan zij lijden, of wegens andere redenen voor reizigers hinderlijk of gevaarlijk kunnen zijn, worden niet in de afdeelingen met andere reizigers toegelaten en, zoo zij in de afdeelingen, voor andere reizigers bestemd, hebben plaats genomen, daaruit vóór het vertrek van den trein of op het eerste station, waar daartoe gelegenheid is, verwijderd. Zij worden alleen vervoerd, wanneer dit kan geschieden in eene afzonderlijke afdeeling met hunne geleiders of verzorgers, zoo die er zijn; in elk geval mits voor eene afzonderlijke afdeeling betaald is.

3. Zoo niet toegelaten personen reeds van een plaatsbewijs zijn voorzien, ontvangen zij den vrachtprijs voor het vervoer van hun persoon en hunne bagage, na aftrek van de vracht voor den reeds afgelegden weg terug, tegen intrekking van het plaatsbewijs en eventueel ook van het bagagebewijs. Bij verwijdering uit den trein wordt de vrachtprijs, zoowel voor den reiziger als voor de bagage, voor den niet afgelegden weg terugbetaald.

4. Personen, die uit den trein worden verwijderd, kunnen de afgifte van ingeschreven bagage niet vorderen, dan op het station van bestemming, volgens het afgegeven bewijs van ontvangst. Niet ingeschreven bagage wordt bij hunne verwijdering te hunner beschikking gesteld.

Medenemen van voorwerpen in de rijtuigen.

40. 1. De reizigers mogen kleine gemakkelijk draagbare voorwerpen, die in de netten of onder de banken van de rijtuigen kunnen worden geplaatst, zonder andere reizigers hinderlijk te zijn, op eigen verantwoordelijkheid, kosteloos bij zich houden, voor zoover de wettelijke bepalingen bij overgang van ’s Rijks grenzen zulks toelaten.

2. Het is verboden dieren, geladen vuurwapenen, kruit of andere ontplofbare of schadelijke preparaten, alsmede voorwerpen, welke door hun aard of omvang gevaarlijk of hinderlijk voor de reizigers kunnen zijn, in de rijtuigen mede te nemen.

3. Hiervan zijn uitgezonderd de munitiën, welke tot de uitrusting van in dienst zijnde militairen of politiebeambten behooren, en de patronen voor handvuurwapenen, welke reizigers, die zich ter jacht of naar schietoefeningen begeven, met zich voeren, mits behoorlijk verpakt of in een tasch gesloten.

4. Dieren, welke niet gevaarlijk of hinderlijk zijn, kunnen door bestuurders op door hen te stellen voorwaarden worden toegelaten.

5. De reiziger, die in strijd met de bepalingen van het tweede, derde of vierde lid handelt, is verantwoordelijk voor de eventueel veroorzaakte schade, onverminderd de straf bij de wet gesteld.

6. De beambten van den spoorwegdienst zijn bevoegd te onderzoeken, of de bepalingen van het tweede, derde en vierde lid worden nageleefd.

7: Wordt gedurende den loop van den trein overtreding van de bepalingen van het tweede, derde of vierde lid ontdekt, dan worden de in strijd met die bepalingen in de rijtuigen medegenomen dieren of voorwerpen zoodra mogelijk daaruit verwijderd en in den goederenof bagagewagen overgebracht, om als bagage te worden vervoerd, of op het eerste station, waar stil gehouden wordt, uit den trein verwijderd.

8. Een geweer moet steeds met den tromp naar boven worden geplaatst.

Het verlaten der rijtuigen aan de kantoren der in- en uitgaande rechten.

41. Alle reizigers, die van buiten’s lands komen, zijn verplicht om aan de stations, tevens kantoren der in- en uitgaande rechten, op aanzegging van de beambten van den spoorwegdienst of van de ambtenaren der Rijksbelastingen, de rijtuigen te verlaten en zich te begeven naar het lokaal voor het verrichten der visitatie aangewezen. Bij weigering om aan de aanzegging gevolg te geven, kunnen zij uit de rijtuigen verwijderd worden, en worden zij alsdan niet tot verder vervoer toegelaten, alvorens zij de vereischte visitatie hebben ondergaan, onverminderd het opmaken van proces-verbaal van overtreding, zoo daartoe termen zijn. Uitzonderingen wegens lichaamsgebreken of ziekte kunnen worden toegestaan door den eerstaanwezenden ambtenaar der Rijksbelastingen.

Beschadiging van rijtuigen.

42. 1. Voor het breken van glasruiten bestaat een tarief van schadevergoeding; de daarin vastgestelde bedragen worden in voorkomende gevallen terstond door de beambten van den spoorwegdienst van den schuldige ingevorderd en moeten door dezen onmiddellijk worden voldaan.

2. Ook is de beambte met de leiding van een trein belast te allen tijde bevoegd, namens de bestuurders van den spoorwegdienst, wegens het verontreinigen der rijtuigen, het scheuren van gordijnen, enz., eene schadevergoeding van den schuldige te vorderen, die onmiddellijk moet worden voldaan.

B. Bagage.

Aanwijzing van de goederen, welke als bagage worden beschouwd.

43. 1. Als bagage wordt in den regel slechts beschouwd al hetgeen de reiziger aan reisbenoodigdheden medeneemt als : koffers, mantelen reiszakken, hoedendoozen, kleine kisten, en dergelijke; groote kisten, tonnen, meubelen en andere voorwerpen, die niet als reisbenoodigdheden kunnen beschouwd worden, behoeven niet als bagage ingeschreven te worden.

2. Goederen, waarvan bet vervoer met spoortreinen verboden is, mogen in geen geval als bagage ten vervoer worden aangeboden of aangenomen. Goederen, waarvan het vervoer slechts onder bijzondere voorwaarden wordt toegelaten, mogen als bagage ook slechts met inachtneming van die voorwaarden ten vervoer worden aangeboden of aangenomen.

Aanneming van bagage.

44. 1. Het vervoer van bagage geschiedt met of zonder inschrijving, naarmate dat in de tarieven is bepaald.

2. Bagage, die zonder inschrijving wordt vervoerd, moet door de zorg van den reiziger, onder toezicht van den spoorwegdienst, geladen worden.

3. Bagage, naar het oordeel der beambten van den spoorweg onvoldoende ingepakt, of waarvan de oude etiquetten niet zijn weggenomen, behoeft niet ter verzending te worden aangenomen. Zijn de oude etiquetten niet verwijderd en is hiervan vermissing of vertraging het gevolg, dan zijn de ondernemers van den spoorwegdienst niet verantwoordelijk voor de daaruit ontstane Schade.

Inschrijving van bagage.

45. 1. Inschrijving van bagage, niet tien minuten vóór het vertrek van den trein aangeboden, mag geweigerd worden.

2. De betaling van den vrachtprijs van ingeschreven bagage geschiedt tegen overgave van een bewijs van inschrijving (bagagebewijs).

Aflevering der bagage aan de reizigers.

46. I. Niet ingeschreven bagage moet onmiddellijk na aankomst van den trein op het station van bestemming ter beschikking van den reiziger worden gesteld, door hem in ontvangst genomen en door zijne zorg, onder toezicht van den spoorwegdienst, gelost worden.

2. Ingeschreven bagage wordt op het station van bestemming met den meesten spoed afgeleverd, tegen overgave van het bagagebewijs. Daarna zijn de ondernemers van den spoorwegdienst van alle verantwoordelijkheid ontheven. De beambten van den spoorwegdienst hebben de identiteit van den houder van het bewijs niet te onderzoeken.

3. De houder van het bagagebewijs heeft het recht de afgifte van de bagage te vorderen, zoodra, na aankomst van den trein, waarmede de bagage volgens inschrijving moet zijn vervoerd, de tijd is verstreken, vereischt voor de regelmatige uitlading en aflevering en, zoo noodig, voor het onderzoek door ambtenaren der Rijksbelastingen.

4. Wordt ingeschreven bagage niet onmiddellijk na aankomst afgehaald, dan moet het daarvoor vastgestelde bewaargeld worden betaald.

5. Bij vermissing van het bagagebewijs zijn de beambten van den spoorwegdienst alleen tot de afgifte der bagage verplicht, na volledige aanwijzing van het recht op ontvangst der goederen, tegen afgifte van bewijs van ontvangst en, naar gelang van omstandigheden, tegen het stellen van waarborg.

6. In afwijking van de bepalingen van het eerste en het tweede lid van dit artikel kan, voor zooverre de tijd en de omstandigheden en de voorschriften omtrent rechten en accijnzen dit toelaten, de bagage op verlangen van den reiziger bij een eerder oponthoud dan op het station van bestemming worden afgegeven.

Verantwoordelijkheid voor bagage.

47. 1. De ondernemers van den spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de goede en onbeschadigde aflevering van de ten vervoer aangenomen bagage, en wel in het algemeen volgens de bepalingen voor het vervoer van goederen, voor zoover die op vervoer van bagage van toepassing zijn, en in het bijzonder volgens de volgende bepalingen :
a. bij verlies of beschadiging wordt de werkelijk geleden schade vergoed; deze vergoeding kan echter niet meer bedragen dan zeven gulden voor elk kilogram, na aftrek van het gewicht der niet verloren of onbeschadigde goederen;
b. de ondernemers van den spoorwegdienst zijn van alle verdere verantwoordelijkheid ontheven, wanneer ingeschreven bagage niet binnen acht dagen, en niet ingeschreven bagage niet onmiddellijk na aankomst op het station van bestemming is in ontvangst genomen.

2. De reiziger, aan wien ingeschreven bagage niet afgeleverd wordt, kan eischen, dat op het bagagebewijs dag en uur worde vermeld, waarop de afgifte is gevorderd.

Vermissing en verlies van bagage.

48. 1. Bagage, die niet binnen acht dagen na den dag, waarop zij aan den reiziger moet worden afgeleverd, aan het station van bestemming is ontvangen, wordt als verloren beschouwd.

2. Ka dien tijd zijn de bestuurders van den spoorwegdienst verplicht onmiddellijk de schadevergoeding volgens de bepalingen van art. 47 aan de reizigers uit te keeren.

3. Wordt de verloren bagage later gevonden, dan moet den belanghebbende, voor zooverre de plaats waar hij zich ophoudt kan worden nagegaan, daarvan kennis gegeven worden, al heeft hij de schadevergoeding ontvangen, en kan hij binnen dertig dagen nadat hij kennis daarvan bekomen heeft, verlangen dat de bagage hem, tegen terugbetaling der schadevergoeding, hetzij aan het station van bestemming of aan dat van afzending, vrachtvrij worde terug gegeven.

4. Verlangt hij de bagage niet terug, dan wordt zij het eigendom van de ondernemers van den spoorwegdienst.

Verantwoordelijkheid voor vertraagde aflevering van bagage.

48. 1. Vergoeding wegens bewezen schade, geleden door vertraagde aflevering van bagage, kan slechts gevorderd worden tot een bedrag van tien cents per kilogram en per etmaal, te rekenen van den dag, waarop de aflevering had moeten geschied zijn, tot dien, waarop de bagage is afgeleverd of luidens art. 48 als verloren wordt beschouwd.

2. De ondernemers van den spoorwegdienst ” zijn niet verantwoordelijk voor vertraging bij de aflevering van bagage, indien zij bewijzen, dat die veroorzaakt is door overmacht.

Afdeeling III.

VERVOER VAN LEVENDE DIEREN.

Algemeene bepaling.

60. Het vervoer van levende dieren geschiedt volgens de bepalingen voor het vervoer van goederen, voor zoover die op dit vervoer toepasselijk zijn en niet in de volgende bijzondere bepalingen daarvan is afgeweken.

Aanneming, laden en lossen. Uitsluiting van zieke en wilde dieren. Begeleiding.

51. 1. Levende dieren worden slechts ten vervoer aangenomen van en naar de stations, daarvoor in de tarieven aangewezen.

2. De Minister van Waterstaat is bevoegd bij het voorkomen van besmettelijke veeziekten te bepalen, dat op door hem aan te wijzen stations vee in het geheel niet of alleen op door hem vast te stellen voorwaarden ten vervoer mag worden aangenomen.

3. Zieke dieren en dieren, komende van plaatsen waar besmettelijke veeziekten heerschen, worden niet ten vervoer aangenomen.

4. De Minister van Waterstaat is bevoegd, bestuurders der spoorwegdiensten gehoord, ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek van dit verbod ontheffing te verleenen.

5. Tot het vervoer van wilde, verwilderde en boosaardige dieren is de spoorwegdienst niet verplicht.

6. Het laden, lossen, vastbinden en losmaken der dieren moet door de zorgen en voor rekening en risico van afzenders of geadresseerden geschieden. De afzender is verplicht zich voor het vertrek van den trein te overtuigen, dat de door hem verzonden dieren behoorlijk zijn vastgebonden; hetgeen daartoe noodig is, wordt door hem verstrekt.

7. Bij het vervoer van levende dieren, uitgenomen dieren van kleine gestalte, waaronder honden en vogels, gesloten in manden, kooien of hokken, hebben de bestuurders van den spoorwegdienst het recht begeleiding te vorderen.

8. De begeleiders moeten, voor zoover een bevoegd beambte van den spoorwegdienst geene uitzondering toelaat, plaats nemen in de wagens waarin de dieren geladen zijn, en gedurende het vervoer toezicht op de dieren houden.

Vervoer van dieren.

52. Door bestuurders van den spoorwegdienst worden de treinen aangewezen, met welke dieren worden vervoerd. Zij kunnen voor de met eiken aangewezen trein te vervoeren hoeveelheid een maximum vaststellen.
Verantwoordelijkheid voor dieren.

53. 1. De verantwoordelijkheid van de onderI nemers van den spoorwegdienst voor verlies en beschadiging van ten vervoer aangenomen levende dieren, wordt, behoudens het bepaalde in artikel 50, geregeld door de voor het vervoer van goederen in afdeeling IV van dit , hoofdstuk vastgestelde bepalingen.

2. De ondernemers zijn niet verantwoordelijk I voor schade, die ontstaan is uit het bijzonderegevaar, dat voor de dieren aan het vervoer verbonden is.

3. Zij verleenen geene vergoeding, wanneer verlies of beschadiging door wegspringen, vallen, stooten, slaan, schrikken, onderlinge beschadiging, stikken en dergelijke bij belladen of lossen, tijdens het vervoer of bij het oponthoud op het station veroorzaakt is.

4. Ook zijn zij niet verantwoordelijk voor de schade, die ontstaat uit het gevaar, ter voorkoming waarvan het toezicht van de begeleiders dient.

5. Hiertoe worden gerekend alle gevaren, die niet ontstaan uit zoodanige beschadiging van het voor het vervoer gebezigde voertuig, waarvoor de ondernemers van den spoorwegdienst verantwoordelijk zijn, alsmede ook die, welke door behoorlijk toezicht, oppassing en voeding der dieren gedurende het vervoer hadden kunnen worden voorkomen.

6. Bestaat er verplichting tot schadevergoeding dan zijn, zoowel in geval van verlies als van beschadiging, de volgende bedragen als maxima te beschouwen:
300 gulden voor een paard ;
125 „ „ „ vetten os;
90 „ „ „ ander rund;
12 „ „ „ kalf;
36 „ „ „ vet varken;
15 „ „ „ mager varken;
4 ,, speenvarken;
„ „ schaap of geit;
4 , „ „ hond;
36 „ „ 100 kilo ram andere dieren.

7. Dieren, welke onderweg of vóór de aflevering beschadigd of gestorven zijn, moeten toch worden aangenomen, behoudens het eventueel bestaand recht op schadevergoeding. Van de beschadiging of het sterven wordt melding gemaakt op de af te geven quitantie voor vracht of gequiteerden vrachtbrief.
leveringstijd.

54. 1. De leveringstijd voor levende dieren wordt in de tarieven geregeld. Die leveringstijd wordt overigens berekend overeenkomstig •de bepalingen van afdeeling IV van dit hoofdstuk. Deze bepalingen zijn ook voor de gevolgen van overschrijding van den leveringstijd van toepassing.

2. Bestuurders zijn bevoegd in de tarieven een termijn te bepalen, binnen welken de geloste of zich in ter lossing gereed gezette wagens zich bevindende dieren moeten worden weggevoerd.

3. Na verloop van dien termijn zijn bestuurders bevoegd de dieren voor rekening van den afzender elders op te stallen, na ze |eventueel te hebben doen lossen, of bewaargeld te berekenen, wanneer zij toelaten, dat de dieren op hun terrein blijven staan.

Afdeeling IV.

VERVOER VAN GOEDEREN.
Algemeene bepaling.

55. 1. Het vervoer van goederen geschiedt alleen van en naar de daarvoor geopende -stations.

2. Door zending wordt verstaan een of meer colli, door één afzender aan een en denzelfden geadresseerde gericht.

3. Meer dan een collo, aan verschillende geadresseerden gericht, worden niet als eene zending aangenomen.

4. Expediteurs en andere personen, die zich met de verzending van goederen voor derden belasten, mogen colli, aan verschillende personen geadresseerd, nimmer als eene zending ten vervoer aanbieden, ook niet door de verschillende colli te zamen te pakken, tenzij dit door bestuurders van den spoorwegdienst krachtens eene bijzondere overeenkomst mocht worden toegestaan.
Beperking van de verplichting van bestuurders van den spoorwegdienst om goéderen ten vervoer aan te nemen.

56. 1. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn niet verplicht goederen ten vervoer aan te nemen, wanneer het beschikbare materieel Van den spoorweg niet toereikend is, om het ten vervoer aangeboden goed binnen den voorgeschreven tijd te kunnen verzenden.

2. Goederen, welker aard volgens het oor{. deel van de beambten van den spoorwegdienst eene inpakking of eene bijzondere wijze van inpakking noodzakelijk maakt, ten einde verlies of beschadiging bij het vervoer te voorkomen, behoeven niet ten vervoer te worden aangenomen, wanneer zij in het geheel niet of niet behoorlijk ingepakt zijn. E Bij uitzondering kunnen zulke goederen ten vervoer worden aangenomen, wanneer de afzender door eene onderteekende verklaring, naar welke op den vrachtbrief of de adreskaart moet worden verwezen, erkent, dat de goederen niet of niet voldoende zijn- ingepakt; in deze verklaring moeten de verschillendecolli gespecificeerd en omschreven worden. De bestuurders van den spoorwegdienst mogen ook vorderen, dat stukgoederen door den afzender op voldoende wijze voorzien worden van den naam var het station van bestemming en van duidelijke afzonderlijke merken of nummers, in zooverre de aard dier goederen zulks zonder groot bezwaar toelaat. Bij stukgoederen, welke met eene adreskaart ten vervoer worden aangebracht, moet elk collo voorzien zijn van een duidelijk adres, aangevende •den naam en de woonplaats van den geadresseerde.

3. Geld en geldswaarden, waaronder worden verstaan: gemunt geld, goud, zilver, platina’; edelgesteenten, paarlen, juweelen, kleinoodiën, kanten, munt- en bankbiljetten, effecten, coupons of ander geldswaardig papier, schilderijen, beelden en voorwerpen van kunst, alsmede alle goederen, waarvan de waarde meer dan vijftig gulden per kilogram bedraagt, behoeven slechts overeenkomstig de in de tarieven eventueel vastgestelde bijzondere voorwaarden ten vervoer aangenomen te worden.

4. Tot het vervoer van lijken en voertuigen zijn bestuurders van den spoorwegdienst slechts overeenkomstig de daarvoor in de tarieven eventueel vastgestelde bijzondere voorwaarden verplicht.

Goederen, waarvan hel vervoer verboden is of slechts onder bijzondere voorwaarden wordt toegelaten.

57

§1
ATen vervoer worden niet aangenomen :

I voorwerpen, welke door vorm, omvang, gewicht of om andere redenen, in verband met de inrichtingen en de wijze van exploitatie van den spoorweg, ongeschikt zijn om daarover vervoerd te worden;

II. buskruit, schietkatoen, geladen vuurwapenen, knalzilver, knalkwikzilver, knalgoud, vuurwerk, schietpapier, nitroglycerine, pikrinezure zouten, dynamiet en alle voor zelfontbranding of ontploffing vatbare voorwerpen, alsmede de afkeerwekkende of kwalijk riekende voorwerpen, voor zoover al deze zaken niet uitdrukkelijk onder de voorwaardelijk tot het vervoer toegelatene zijn opgenomen.

B. Het hierboven sub A. II vermelde verbod geldt niet voor:

I. munitiën, die door troepen, batterijen en parken op marsch worden medegevoerd;

II. voor Rijksdienst en door Rijksambtenaren binnen de grenzen des Bijks te verzenden buskruit, munitiën en ernst vuurwerken, in bijlage A van het algemeen reglement voor het vervoer op de spoorwegen bij name genoemd, ingepakt en vervoerd, overeenkomstig de in die bijlage voor elke soort vermelde voorschriften.

C. Voor het geval, dat op sub B bedoelde stoffen of voorwerpen ook, volgens § 2 van dit artikel, eene der in bijlage B van bovenvermeld reglement voorkomende bepalingen toepasselijk is, worden de stoffen of voorwerpen met inachtneming der minst bezwarende bepaling ten vervoer aangenomen.

§ 2. Tot het vervoer worden toegelaten de in bijlage B van meergenoemd reglement sub I—LVII bij name genoemde goederen, voorzoover voldaan is aan de in die bijlage voor elke soort vermelde voorschriften. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn echter tot het aannemen van de in de nummers I, VI—XXVI, XXX, XXXVI, XXXVIII—XL, XLIV—L, LIV, LIVo en LIV6 van deze bijlage vermelde goederen niet verplicht.

§ 3. Hij, die goederen, waarvan het vervoer verboden of alleen voorwaardelijk toegelaten is, met valsche of onnauwkeurige verklaringen ten vervoer per spoorweg aanbiedt, is verantwoordelijk voor de schade, die door het vervoer van die goederen mocht zijn ontstaan, onverminderd de straf op overtreding van dit reglement bij de wet gesteld.

Wijze van aanbieding ten vervoer. Gebruik van vrachtbrieven. Sluiten der vrachtovereenkomst.

58. 1. De goederen, worden ten vervoer aangeboden met een vrachtbrief of met eene adreskaart, naar gelang zulks in de tarieven is bepaald.

2. Het gebruik van vrachtbrieven kan voor bepaalde categorieën van goederen door bestuurders van den spoorwegdienst verplichtend worden gesteld.

3. Wordt een vrachtbrief gebezigd, zoo wordt de vrachtovereenkomst gesloten van de zijde des afzenders door het opmaken en aanbieden daarvan, en van de zijde van den spoorwegdienst door het als blijk van aanneming daarop afdrukken van den expeditiestempel van het station van afzending. Van dit oogenblik is de vrachtovereenkomst gesloten.

Aanbrengen en verzenden der goederen.

59. 1. De goederen moeten aangebracht en, wanneer de lading door de zorgen der af zenders geschiedt, geladen worden binnen de daarvoor in de bijzondere voorwaarden van vervoer gestelde uren.

2. In den regel worden de goederen naar de volgorde vervoerd, waarin zij zijn aangebracht. De eene afzendèr mag niet boven den anderen worden begunstigd, tenzij daartoe, hetzij wegens de inrichtingen van den spoorweg, den omvang van het vervoer, of het algemeen belang gegronde aanleiding bestaat. Handelingen tegen deze bepaling geven aanspraak op vergoeding van de daardoor ontstane schade.

3. De afzenders zijn verplicht de wagens, noodig voor het vervoer van goederen, welke door hunne zorgen worden geladen, voor eenen bepaalden dag schriftelijk bij den stationschef aan te vragen en de lading in de door het station van vertrek bepaalde tijdsruimte te volbrengen.

4. Deze tijdsruimte wordt door aanplakking in de goederenbureaux ter algemeene kennis gebracht.

Tijdelijke stoornis van het vervoer.

60. Wanneer het vervoer over den spoorweg door overmacht of ongeval tijdelijk gestremd wordt, is de afzender niet verplicht te wachten totdat het beletsel is opgeheven. Hij kan zich alsdan aan de door hem aangegane vrachtovereenkomst onttrekken, doch is verplicht om aan de ondernemers van den spoorwegdienst, indien de oorzaak der stremming niet aan hen te wijten is, te vergoeden, behalve de gedane uitschotten en gemaakte kosten voor laden en daarna lossen der goederen, de vracht voor den afstand, waarover het vervoer heeft plaats gehad.

Berekening van de vracht.

61. 1. De vrachtprijzen worden berekend naar de tarieven. Behalve de vrachtprijzen en bijkomende kosten, in de tarieven aangegeven, mag niets in rekening worden gebracht. Door de ondernemers van spoorwegdiensten werkelijk betaalde voorschotten, bijv. invoerrechten, accijnzen, kosten van voorafgaand vervoer en overgave, kosten van herstelling van de inpakking der goederen tot hun behoud gedurende het vervoer, worden door den afzender of geadresseerde terugbetaald.

2. Zoo de vrachtprijs naar het gewicht der goederen wordt berekend, staat het den afzender vrij bij het wegen der goederen tegenwoordig te zijn. Verlangt hij, nadat het gewicht door de beambten van den spoorwegdienst is vastgesteld en vóór dat de goederen geladen zijn, eene nieuwe weging in zijne tegenwoordigheid of in bijzijn van zijnen gemachtigde, dan zijn de bestuurders van den spoorwegdienst gerechtigd daarvoor een volgens het tarief aangegeven weeggeld te vorderen. Dit weeggeld kan ook geheven worden, wanneer de afzender het gewicht niet heeft opgegeven. Heeft hij dit wel opgegeven en blijkt de opgave onjuist, dan kunnen de bestuurders eene in de tarieven vast te stellen boete heffen.

3. Wanneer de goederen door de zorgen van de afzenders geladen worden, mogen zij de wagens slechts beladen tot het daarop aangegeven draagvermogen en binnen het daarvoor vastgestelde ladingsprofiel. Voor overbelading kunnen de bestuurders van den spoorwegdienst, behalve vergoeding der veroorzaakte schade, eene in de tarieven vast te stellen boete heffen.

Betaling van de vracht.

62. 1. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn bevoegd vooruitbetaling van de vracht te vorderen.

2. Indien voor vooruitbetaling van de vracht de prijs niet met zekerheid is op te geven, kan van den afzender verlangd worden, dat hij, tot dekking van de vracht, eene aan haar vermoedelijk bedrag evenredige som gelds deponeere.

3. In dat geval, en ook wanneer van eene begane vergissing in de toepassing van de tarieven ten aanzien hetzij van vracht of van bijkomende kosten blijkt, moet hetgeen te veel werd betaald of gedeponeerd door bestuurders van den spoorwegdienst aan den rechthebbende worden teruggegeven, hetgeen te weinig werd geheven, op vordering van de bestuurders door den afzender of den geadresseerde aan hen worden bijbetaald.
Voorschotten, remboursemenien en provisie.

63. 1. Onder voorschotten wordt verstaan het betaalde aan vracht en kosten voor het voorafgaand vervoer en voor invoerrechten, accijnzen of andere belastingen, waarmede de goederen worden bezwaard. Van voorschotten kan eene specificatie geëischt worden.

2. Onder remboursementen wordt verstaan de geheele of gedeeltelijke waarde der goederen, waarmede de afzender de goederen belast.

3. De betaling van voorschotten en de aanneming van met remboursement belaste goederen is voor de ondernemers der spoorwegdiensten niet verplichtend.

4. De remboursementen worden zonder uitstel aan den afzender uitbetaald tegen quitantie, nadat zij door den geadresseerde zijn voldaan en de kennisgeving daarvan aan het station van afzending is ontvangen.

5. Voor voorschotten en remboursementen, alsmede voor het bedrag der door de ondernemers van den spoorwegdienst voorgeschoten rechten, accijnzen en daarbij behoorende kosten kan door hen eene provisie worden in rekening gebracht, volgens het daarvoor vastgesteld tarief.

Levering’siijd.

64. 1. De leveringstijd wordt in de tarieven geregeld.

2. De bestuurders der spoorwegdiensten mogen voor markten of voor andere omstandigheden, welke op het verkeer van buitengewonen invloed kunnen zijn, onder goedkeuring van den Minister van Waterstaat of onder voorbehoud daarvan, langere termijnen bepalen en aankondigen.

3. De aankondiging moet vermelden of die goedkeuring verleend is of dat zij voorbehouden is. In het laatste geval moet de later verkregen goedkeuring binnen acht dagen bij afzonderlijke aankondiging medegedeeld worden.

4. De verlengde termijn is niet van kracht, wanneer de nadere goedkeuring niet is verleend, of wanneer zij niet binnen den vastgestelden tijd van acht dagen wordt aangekondigd.

5. De tijd van levering begint des middernacht» na totstandkoming van de vrachtovereenkomst en hij is nagekomen, wanneer de goederen vóór dat de tijd is verstreken, aan den geadresseerde of aan het lokaal waar deze zijne zaken drijft, of aan de personen door hem aangewezen zijn bezorgd (zie artikel 79); of wel, indien geene bestelling is toegezegd of uitdrukkelijk het tegendeel is bedongen, wanneer binnen den gestelden termijn na aankomst van het goed ter plaatse van bestemming de schriftelijke kennisgeving van de aankomst aan den geadresseerde op de post bezorgd of hem op eene andere wijze werkelijk ter hand gesteld is (zie artikel 65). Voor goederen „station restante”‘is aan den tijd van levering voldaan, wanneer de goederen binnen dien tijd op het station van bestemming ter afhaling gereed liggen.

6. De tijd van levering wordt verlengd met dien, bedoeld in artikel 84, met dien noodig voor de vervulling van douane-formaliteiten, en met dien, gedurende welken het verkeer buiten de schuld van den spoorwegdienst gestremd is en dus de aanvang of voortzetting van het verkeer tijdelijk verhinderd is.

Kennisgeving van aankomst en aflevering der goederen.

65. L De bestuurders van den spoorwegdienst geven den geadresseerden schriftelijk kennis van de aankomst der goederen, die niet besteld worden.

2. Deze kennisgevingen van aankomst worden, hetzij tegen berekening van een in de tarieven vast te stellen loon aan de geadresseerden bezorgd, hetzij voor rekening van de geadresseerden franco per post verzonden. De kosten van frankeering worden als voorschot beschouwd.

3. De bestuurders van den spoorwegdienst zijn verplicht aan den geadresseerde, ter plaatse van bestemming, de goederen af te leveren, na hem in staat gesteld te hebben ze behoorlijk na te zien. Aan het verlangen van den afzender om hem de goederen terug te geven of die af te leveren aan een anderen dan den aangewezen geadresseerde wordt voldaan, wanneer het schriftelijk is medegedeeld vóór dat de kennisgeving van aankomst aan den geadresseerde is verzonden.

4. De bestuurders van den spoorwegdienst zijn niet verplicht gevolg te geven aan andere voorschriften dan die, welke aan het station van afzending zijn verstrekt. Is de kennisgeving van aankomst’ door den geadresseerde ontvangen, zoo hebben de beambten van den spoorwegdienst zich alleen naar de aanwijzingen van den geadresseerde te gedragen.

5. Wanneer de vracht en het verder verschuldigde betaald is, worden de goederen tegen afgifte van het bewijs van ontvangst of na teekening voor ontvang in het register voor ontvangen goederen, waardoor in beide gevallen niets meer dan de ontvangst der goederen wordt geconstateerd, op het terrein van den spoorweg aan den geadresseerde afgeleverd of wel de wagens aan de losplaatsen ter lossing beschikbaar gesteld, en zulks met inachtneming der volgende bepalingen:

A. 1. De goederen moeten, onder voorbehoud van hetgeen hieronder sub B is bepaald, binnen den tijd welke in het tarief als vrij van liggeld wordt vastgesteld, gedurende de daarvoor vastgestelde uren worden weggehaald.

2. Deze termijn begint in het algemeen te löopen op het oogenblik van de ontvangst van de kennisgeving van aankomst, doch voor goederen, welker aankomst den geadresseerde niet is bericht kunnen worden, voor goederen „station restante” en voor goederen, waarvan de geadresseerden eens en voor altijd schriftelijk hebben verklaard, dat zij geene, kennisgeving van aankomst verlangen, op dat der aankomst van het goed.

B. De termijnen, binnen welke de goederen, die door de zorgen van den afzender geladen zijn, door den geadresseerde gelost en weggevoerd moeten zijn, worden door de bijzondere voorwaarden van vervoer van eiken spoorwegdienst bepaald en op elk station door aanplakking in de goederenbureaux ter algemeene kennis gebracht.

C. Indien slechts een gedeelte van de ten vervoer aangenomen zending is aangekomen en een zoodanig deel op zich zelf waarde heeft, kan de aanneming van dat gedeelte en de betaling van de daarvoor in verhouding verschuldigde vracht, door den geadresseerde niet geweigerd worden, onverminderd zijn recht op levering van het overige of schadevergoeding, indien hij dit heeft.

6. De geadresseerde heeft de bevoegdheid de goederen, waarvan de vrachtprijs naar het gewicht is berekend, bij de aflevering op het station te doen nawegen, indien daartoe de noodige weeginrichtingen voorhanden zijn. Zijn deze niet voorhanden dan staat het den geadresseerde vrij de naweging op de naastbijgelegen plaats, waar dergelijke weeginrichtingen beschikbaar zijn, te doen verrichten en wel in tegenwoordigheid van,eenen door de bestuurders van den spoorwegdienst daartoe aan te wijzen gemachtigde.

7. Wijst de naweging geen door de ondernemers te vergoeden manco aan, dan moet de geadresseerde de door die naweging ontstane kosten, of het in het tarief vastgestelde loon, benevens de schadeloosstelling voor den aangewezen gemachtigde voldoen.

8. De ondernemers der spoorwegdiensten moeten daarentegen, wanneer een door hen te vergoeden manco wordt bewezen, hetwelk niet reeds te voren erkend is, den geadresseerde de aan dezen door de naweging veroorzaakte kosten vergoeden.

9. Goederen, die besteld worden, worden” aan den geadresseerde niet afgeleverd, vóórdat deze den vrachtprijs en alle bijkomende kosten voldaan en voor de ontvangst der goederen in het bestelboek of op de achterzijde der adreskaart geteekend heeft.

10. De bevoegdheid der geadresseerden om hunne goederen zelf of door derden te laten weghalen kan door de bestuurders in het belang van het algemeen verkeer, met toestemming van den Minister van Waterstaat, beperkt of opgeheven worden.

11. Goederen, welke krachtens de bepaling van art. 76, zevende lid, niet uit de wagens, van het terrein of uit de magazijnen van den spoorwegdienst mogen worden weggevoerd, voordat voor invoerrechten of accijnzen zekere formaliteiten zijn vervuld, worden eerst afge- everd, nadat bet bewijs, dat aan die formaliteiten is voldaan, aan den betrokken beambte van den spoorwegdienst is vertoond.

Liggeld en conventioneels boeten.

66. § 1.
1. Wie, buiten de in art. 60 omschreven gevallen, eenmaal ten vervoer overgegeven goederen vóór hun vertrek terugneemt uit de goederenloodsen, van de terreinen of uit de wagens van den spoorwegdienst, is daarvoor, boven en behalve de laad- en losgelden en het verschuldigde weeg- en telloon. voor iederen dag, gerekend van het oogenblik der aanbieding ten vervoer, lig- of magazijngeld of wagenhuur verschuldigd, wordende daarbij elk aangevangen etmaal voor een geheel etmaal gerekend.

2. Wordt door den afzender de teruggave der goéderen op een tusschenstation van den af te leggen weg verlangd, en voldoen de beambten van den spoorwegdienst aan dat Verlangen, dan moet, behalve de verschuldigde vracht van den door de goederen reeds afgelegden weg en de bijkomende kosten, nog een bij tarief vastgesteld rouwgeld betaald worden.

§ 2.
1. Wanneer goederen, die te zamen moeten worden verzonden, niet alle te gelijker tijd worden aangebracht, en blijkbaar vertraging plaats heeft, of wanneer aangebrachte goederen door schuld van den afzender niet met den eerstvolgenden trein verzonden zijn, kunnen bestuurders van den spoorwegdienst voor de reeds aangebrachte goederen lig- of magazijngeld heffen.

2. Wanneer het goederen betreft, waarvan het laden aan de zorgen van den afzender is overgelaten en waarvoor een of meer wagens te zijner beschikking zijn gesteld, wordt, indien niet binnen den bepaalden tijd (zie artikel 59, derde en vierde lid) de lading is afgeloopen en de goederen ter verzending gereed zijn, behoudens het bepaalde in art. 84, wagenhuur gevorderd. Ook zijn de beambten van den spoorwegdienst bevoegd, wanneer de termijn verstreken is, de wagens weder op kosten van den afzender te lossen, de geloste goederen voor zijn risico en tegen lig- of magazijngeld op te slaan en de wagens tot andere doeleinden te bezigen. De bestuurders van den spoorwegdienst kunnen bij het aanvragen van wagens een borgtocht vorderen, gelijk aan het bedrag van wagenhuur voor één dag.

3. De bestuurders zijn daarentegen verplicht gelijk bedrag aan den aanvrager te betalen, wanneer aan eene bepaalde toezegging omtrent het beschikbaar stellen der wagens niet voldaan wordt.

§ 3.
L Wie in gebreke blijft om goederen binnen den daarvoor gestelden termijn in ontvangst te nemen en van het station weg te voeren, is, behoudens het bepaalde in art. 84, eveneens verplicht lig- of magazijngeld of wagenhuur te betalen.

2. Daarentegen zijn de bestuurders verplicht tot vergoeding der kosten, welke bewezen worden ontstaan te zijn doordat de geadresseerde tijdig doch te vergeefs heeft getracht het goed af te halen, wanneer de goederen, van welker aankomst reeds bericht is gegeven, niet uiterlijk binnen een uur nadat de afhaler zich aanmeldde ter lossing of afhaling te zijner beschikking zijn gesteld.

3. Van dit voorschrift kan door den Minister van Waterstaat voor door hem aan te wijzen stations uitzondering worden toegelaten. In de kennisgeving van aankomst der goederen wordt alsdan vermeld, wanneer de goederen kunnen gelost en weggehaald worden.

§ 4.
Wanneer door de zorgen der afzenders geladen wagens niet binnen den in art. 65, 5de lid, sub B, voorgeschreven termijn gelost en de goederen afgehaald zijn, zijn de bestuurders van den spoorwegdienst, zonder daardoor verantwoordelijkheid op zich te laden, gemachtigd de wagens op kosten van den afzender of geadresseerde te laten lossen en het vastgesteld bedrag voor lig- of magazijngeld of wagenhuur te vorderen.

§ 5.
Wanneer ten gevolge van een maatregel van hooger hand, bijvoorbeeld tijdelijke aanhouding van het goed door de ambtenaren der belastingen of gerechtelijke inbeslagneming, de spoorwegdienst belet wordt het goed te vervoeren of af te leveren, zijn bestuurders bevoegd, indien het goed in den wagen blijft, wagenhuur te heffen.

§ 6.
1. Het bedrag van wagenhuur en-lig- of magazijngelden wordt in de tarieven voor het goederenvervoer geregeld.

2. Wanneer het geregeld verkeer door groote ophooping van goederen wordt bedreigd, zijn de bestuurders bevoegd de lig- of magazijngelden en de wagenhuur te verhoogen, de termijnen volgens het tweede lid van § 3 van dit artikel te verlengen met inachtneming van het voorschrift voorkomende in het derde lid van dezelfde paragraaf, en ook, wanneer deze maatregel niet toereikend mocht zijn, de termijnen, gedurende welke het goed mag blijven liggen, en den tijd, welke van het betalen van liggeld is vrijgesteld, te verkorten, alles voor zoolang de ophooping duurt, mits zulks geschiedt met inachtneming der voorschriften in art. 64 voor de vaststelling van langere termijnen gegeven.

Wijze van handelen in gevallen, waarin de regelmatige aflevering is verhinderd.

67.
1. Goederen, welke de geadresseerde weigert of nalaat in ontvangst te nemen en weg te voeren binnen den gestelden termijn,.; of goederen, welker aflevering niet mogelijk is, als ook „station restante” geadresseerde goederen, welke langer dan den door de bijzondere voorwaarden van vervoer bepaalden termijn na aankomst op het station van bestemming zijn gebleven, zonder dat de geadresseerde zich heeft aangemeld, liggen voor rekening en risico van den afzender, wien daarvan zoo spoedig mogelijk moet worden kennis gegeven. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn bevoegd dergelijke goederen in een openbaar magazijn te doen opslaan of aan een expediteur, voor rekening en risico van wien het aangaat, in bewaring te geven en ze aldaar, tegen betaling der daarop drukkende vracht, voorschotten en onkosten, ter beschikking van den afzender te stellen, wien daarvan terstond bericht moet worden gezonden.

2. Alles onverminderd art. 94, tweede lid, Wetboek van Koophandel.

Omvang en duur der verantwoordelijkheid.

68.
1. Behoudens de bijzondere bepalingen van artikel 69 zijn de ondernemers der spoorwegdiensten verantwoordelijk voor de schade, welke door verlies of beschadiging van de goederen is ontstaan, van het tijdstip, waarop de vrachtovereenkomst is gesloten, tot de aflevering der goederen, voor zoover zij niet bewijzen dat het verlies of de beschadiging is ontstaan door overmacht of uit den aard van de goederen zeiven, als door innerlijk bederf, krimpen, gewone lekkage en dergelijke, of door uiterlijk niet zichtbare slechte inpakking of door schuld of nalatigheid van den afzender of expediteur. De verantwoordelijkheid van de spoorwegdiensten voor verlies of beschadiging van het goed, vóór het sluiten van de vrachtovereénkomst,
wordt hierdoor, voor zooverre zij wettigen grond heeft, niet gewijzigd. De aflevering aan visitatieloodsen, na aankomst van het goed op het station van bestemming, evenals de overeenkomstig dit reglement bepaalde bezorging aan magazijnen of bij eenen expediteur, staat gelijk met aflevering aan den geadresseerde.

2. De goederen worden niet eer als verloren beschouwd dan vier weken na het verstrijken van den leveringstijd. De vervoerde goederen besteld of afgeleverd en aangenomen en bet vrachtloon betaald zijnde, is daardoor alle ^rechtsvordering ter zake van beschadiging of vermindering tegen de ondernemers van den spoorwegdienst vernietigd, indien het gebrek uiterlijk zichtbaar was. Voor verlies of beschadiging, welke bij de aflevering niet uiterlijk zichtbaar was, kunnen zij ook na de aflevering en betaling der vracht verantwoordelijk worden gesteld, mits het verlies of de beschadiging worde geconstateerd’ op de wijze als bij het Wetboek van Koophandel is voorgeschreven. Voor de verjaring der vorderingen wegens verlies, vermindering en beschadiging gelden de bepalingen van het gemeene recht.

3. Ingeval van verlies of beschadiging van goederen moeten de bestuurders van den spoorwegdienst een nauwkeurig onderzoek instellen en aan den rechthebbende, op verzoek, schriftelijk en volledig den uitslag van het gehouden onderzoek mededeelen.

4. Bij het in ontvangst nemen der schadevergoeding kan de daarop rechthebbende vorderen dat hem, wanneer later het verloren geraakte goed mocht teruggevonden worden, daarvan mededeeling worde gedaan. In dat geval moet hem van, die vordering een bewijs worden afgegeven.

5. Binnen vier weken na ontvangst der bovenbedoelde mededeeling kan de rechthebbende vorderen, dat het teruggevonden goed hem kosteloos worde afgeleverd op de in den vrachtbrief aangegeven.plaats van bestemming. Hij is dan verplicht de genoten schadevergoeding terug te geven, na aftrek van de som,* welke hem als schadeloosstelling wegens vertraagde levering, toekomt.

6. Wanneer aan goed eene vermindering of beschadiging blijkt, zijn de beambten van den spoorwegdienst verplicht, in tegenwoordigheid van/ getuigen en zoo mogelijk van den rechthebbende, het gewicht en de verdere bevinding en, zoo noodig, door deskundigen, de aan het goed toegebrachte schade te doen constateeren.

7. Wanneer de rechthebbende met de bestuurders van den spoorwegdienst de door deze te verleenen schadevergoeding bij minnelijke schikking wil regelen, moet hij, voor de in ontvangst- of terugname der goederen, het van de bevinding opgemaakte proces-verbaal als juist erkennen en zijne aanspraak op schadevergoeding indienen.

8. Is gerechtelijke bezichtiging van goederen noodig, dan geschiedt die door deskundigen, op, verzoek van een der partijen, door den president der arrondissement-rechtbank of, ter plaatse waar deze niet gevestigd is, door den kantonrechter te benoemen en te beëedigen. Elk verzoek om schadevergoeding moet van een document, waaruit de waarde van het goed blijkt, vergezeld gaan. Die verzoeken moeten door de bestuurders van den spoorwegdienst zoo spoedig mogelijk beantwoord en afgedaan worden.

Bijzondere beperking der verantwoordelijkheid.

69. § 1.
1. Ten aanzien van goederen, die uit hun aard zijn blootgesteld aan het gevaar, om geheel of ten deele verloren te gaan, of te worden beschadigd, in het bijzonder doorbreken, roesten, inwendig bederf, buitengewone lekkage, zelfontbranding» enz. zijn de ondernemers der spoorwegdiensten niet verantwoordelijk voor de schade, welke uit dat gevaar is ontstaan.

2. Zij zijn alzoo niet verantwoordelijk :
a. voor schade hoegenaamd aan gevaarlijke artikelen, als : zwavelzuur, sterkwater en andere bijtende, als ook licht ontvlambare stoffen ;
b. voor het breken van licht breekbare goederen, als : licht breekbare meubelen, glas, gegoten ijzerwaren, ledige en gevulde kruiken, flesschen en grazen ballons, losse suikerbrooden, kazen, enz.;
c. voor gewone lekkage, dat is: het dringen van vloeibare stoffen door de voegen, naden of andere openingen der vaten, zonder uiterlijke beschadiging
d. voor het bederven van vloeistoffen en andere waren, welke gemakkelijk gisten of tot verrotting overgaan, of door vorst of hitte schade lijden;
e. voor het roesten van metalen;
f. voor gewichtsvermindering van versche en gezouten visch, oesters, vruchten en groenten.

§ 2. 1. Ten aanzien van goederen, die volgens de tariefsbepalingen in open wagens worden | vervoerd, zijn de ondernemers niet. aansprakelijk voor de schade, ontstaan uit het gevaar aan die wijze van vervoer verbonden. De afzender wordt geacht met deze wijze van vervoer genoegen te nemen, wanneer hij niet het vervoer zijner goederen in gesloten of van dekkleeden voorziene wagens uitdrukkelijk heeft verlangd. De ondernemers zijn in dit geval gerechtigd eene verhooging van de in het tarief bepaalde vrachtprijzen toe te passen.

2. Wanneer goederen, die anders in overdekte wagens geladen worden^ tengevolge van bijzondere overeenkomst in open wagens vervoerd worden, kan zichtbare vermindering in hoeveelheid of verlies van geheele colli niet gerekend worden te behooren tot het aan deze wijze van vervoer verbonden gevaar.

§ 3. Ten aanzien van goederen, welke, niettegenstaande hun aard vordert dat zij ter beveiliging tegen verlies of beschadiging bij het vervoer behoorlijk zijn ingepakt, doch, luidens verklaring van den afzender in verband met art. 56, tweede lid oningepakt of niet voldoende ingepakt zijn verzonden, zijn de ondernemers niet verantwoordelijk voor de schade, welke ontstaat uit het gevaar, verbonden aan het gemis van inpakking of aan onvoldoende inpakking.

§ 4. Ten aanzien van goederen, die volgens de tariefsbepalingen of volgens overeenkomst met den afzender, door zijne zorgen worden geladen en door die van den geadresseerde worden gelost, zijn de ondernemers niet verantwoordelijk voor de schade ontstaan uit het gevaar, verbonden aan het laden en lossen of aan het gebrekkig of ondoeltreffend laden. Afzender en geadresseerde zijn daarentegen aansprakelijk voor de schade, welke tengevolge van of tijdens het laden en lossen aan het spoorwegmaterieel toegebracht wordt.

§ 5. Ten aanzien van goederen, die onder geleide worden verzonden, zijn de ondernemers niet verantwoordelijk voor de schade, welke ontstaan is uit het gevaar, hetwelk dat geleide beoogt te voorkomen.

§ 6. In de in § § 1 tot 5 genoemde gevallen wordt ondersteld, dat schade, welke kon ontstaan uit een gevaar, waarvoor de ondernemers niet verantwoordelijk zijn, werkelijk Uit zoo-^ danig gevaar is.ontstaan, tenzij het tegendeel’ bewezen wordt.

§ 7. De vorenstaande in § § 1 tot 5 bepaalde vrijstellingen zijn niet van toepassing, indien bewezen wordt, dat de schade is ontstaan door de schuld van den spoorwegdienst of van zijn personeel.

§ 8. 1. Onderwicht wordt niet vergoed, zoo voor den geheelen afgelegden weg het ontbrekende bij droge goederen niet meer dan één percent, bij natte goederen, waarmede gelijkgesteld worden brood, geraspt of gemalen verfhout, schors, wortelen, zoethout, gekorven tabak, vetwaren, zeep, dikke of vaste oliën, versche tabak in bladen, schapenwol, vellen, huiden, leder, versche en gedroogde vruchten, granen, zaden, suikerpeeën, knollen, darmen, hoornen, klauwen, beenderen (gemalen en niet gemalen), gedroogde visch, hop en verscbe leem, niet meer dan twee percent bedraagt van het door het station van afzending juist bevonden gewicht.

2. Deze percentsgewijze verminderingen worden niet in rekening gebracht bij het te vergoeden onderwicht, wanneer en voor zooverre wordt bewezen, dat het verlies, onder de plaats gevonden omstandigheden,»niet is ontstaan tengevolge van den aard der goederen, of dat die percenten in het gegeven geval niet in evenredigheid staan met dien aard of met de voorgekomen omstandigheden.
3. Het blijft echter aan de bestuurders der spoorwegdiensten voorbehouden, bij goederen, die door de zorgen van den afzender geladen of door die van den geadresseerde gelost worden, met toestemming van den Minister van Waterstaat, eene hoogere percentsgewijze vrijstelling van verantwoordelijkheid voor gewichtsvermindering dan twee percent vast te stellen en zulks naar gelang van den aard der goederen.

Verantwoordelijkheid bij doorgaand verkeer.

70. Indien bestuurders van een spoorweg| dienst het goed met eenen vrachtbrief aannemen, volgens welken het vervoer over verschillende aan elkander aansluitende spoorwegen moet geschieden, zijn als vrachtvoerders voor het geheele transport, niet de gezamenlijke ondernemers van de spoorwegdiensten, welke het goed met den vrachtbrief overgenomen hebben, maar alleen de eerste spoorwegdienst en die verantwoordelijk, welke de goederen met den vrachtbrief het laatst heeft overgenomen: ondernemers van tusschen liggende spoorwegen kunnen als vrachtvoerders slechts dan aansprakelijk gesteld worden, wan ‘|• neer bewezen wordt dat de schade, waarvoor vergoeding gevorderd wordt, op hunne lijnen is ontstaan. Het recht van verhaal tusschen de spoorwegdiensten- onderling wordt hierdoor , niet verkort.
Verantwoordelijkheid van de ondernemers van den spoorwegdienst voor hun personeel en andere personen.

71. De ondernemers van eiken spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor hun personeel en voor de andere personen, van wie zij zich bij het verrichten van het door hen aangenomen vervoer bedienen.

Vergoeding door de ondernemers der spoorwegdiensten te verleenen.

72.
§ 1. Indien de ondernemers van spoorwegdiensten ingevolge de voorgaande bepa- ingen schadevergoeding verschuldigd zijn, wordt deze naar de volgende grondslagen geregeld :
A. Voor geheel of gedeeltelijk verlies wordt, tot vaststelling van het. bedrag der schade, als grondslag aangenomen de door den schadevergoeding eischende te bewijzen handelswaarde en, bij gebreke van dien, de waarde welke goederen van dezelfde soort en hoedanigheid zouden gehad hebben, ten tijde waarop en ter plaatse waar de ondernemers van den spoorwegdienst hadden aangenomen goederen te leveren, onder aftrek van het bedrag der ten gevolge van het verlies niet betaalde rechten of accijnzen en onkosten.
B. Bij de berekening der schadevergoeding wordt de waarde niet hooger dan 60 cents voor elk kilogram bruto aangenomen.

§ 2. Bij beschadiging van goederen wordt de door de beschadiging teweeggebrachte waardevermindering vergoed als volgt:
a. tot het volle bedrag, indien de in § 1, sub A, bedoelde waarde der goederen kleiner is dan, of gelijk is aan het maximum bedoeld in § 1, sub B ;
b. indien de in § 1, sub A, genoemde waarde der goederen grooter is dan het maximum bedoeld in § 1, sub B, zal de vergoeding slecbts een zooveelste gedeelte der waardevermindering bedragen, als het maximum in § 1, sub B bedoeld, bedraagt van de waarde in § 1, sub A, bedoeld.

§ 3. Wanneer de bestuurders van den spoorwegdienst of hunne beambten of bedienden met opzet verkeerd hebben gehandeld, kan de beperking der aansprakelijkheid tot de normale schadeloosstelling niet worden ingeroepen.

Verantwoordelijkheid wegens overschrijding van den leveringstijd.

73. 1. De ondernemers van spoorwegdiensten zijn verantwoordelijk voor de schade, ontstaan uit overschrijding van den leveringstijd (zie art. 64) voor zoover zij niet kunnen aantoonen, dat de vertraging door overmacht óf bijzondere omstandigheden buiten hunne schuld en die van hunne beambten of bedienden veroorzaakt is.

2. Door aanneming van de goederen door den geadresseerde, of door van zijnentwege aangewezen personen en door betaling van de vracht vervallen alle vorderingen ten aanzien van overschrijding van den leveringstijd, zoo zij niet binnen acht dagen na de aflevering of na de betaling* der vracht zijn ingediend.

Waardeering der aansprakelijkheid wegensoverschrijding van den leveringstijd.

74. 1. Bij overschrijding van den leveringstijd wordt door de ondernemers van den spoorwegdienst, zonder het bewijs dat door de vertraagde aflevering schade is veroorzaakt, vergoed : wanneer de vertraging bedraagt meer dan zes uren tot twaalf uren, een vierde der vracht, meer dan twaalf tot vier en twintig uren, een derde der vracht, en meer dan vier en twintig uren, de helft der vracht.

2. Wordt door den belanghebbende eene grootere schadevergoeding gevorderd, dan is hij verplicht, op verlangen van de bestuurders van den spoorwegdienst, de door de vertraagde aflevering werkelijk ontstane schade te bewijzen.

3. Het bedrag van de door de ondernemers in zoodanig geval te verleenen schadevergoeding wordt dan naarmate van de bewezen schade bepaald, met inachtneming dat:
a. wanneer de vertraging niet meer dan vier en twintig uren bedraagt, de halve vracht,
b. wanneer de vertraging meer dan vier en twintig uren bedraagt, de geheele vracht het maximum’ der te verleenen schadevergoeding is.

4. Wanneer de bestuurders van den spoorwegdienst of hunne’ beambten of bedienden met opzet verkeerd hebben gehandeld, kan de beperking der aansprakelijkheid tot de vermelde maxima niet worden ingeroepen.
Goederen, bestemd naar plaatsen, welke niet aan den spoorweg zijn gelegen.
75. 1. Bestuurders hebben het recht goederen, welke bestemd zgn voor eene plaats, welke niet aan den spoorweg gelegen is, naar de plaats van bestemming te doen vervoeren door tusschenkomst van eenen expediteur, of op eene andere wijze te hunner keuze, voor rekening en risico van den afzender, wanneer door den afzender of geadresseerde geene maatregelen genomen zijn voor de onmiddellijke verdere verzending der goederen. Hetzelfde geldt voor goederen, bestemd naar spoorwegstations, die niet voor bet goederenvervoer geopend zijn. Voor het verdere vervoer rusten op de ondernemers slechts de verplichtingen van een expediteur.

2. Ten aanzien van het vervoer naar niet aan den spoorweg gelegen plaatsen, door middel van door de bestuurders van den spborwegdienst ingerichte vervoermiddelen, zijn zij ook verantwoordelijk voor het vervoer tot de plaats van bestemming van het goed.

3. Is door den afzender voorgeschreven, dat de goederen op eene plaats, gelegen aan den spoorweg, moeten worden afgegeven of moeten blijven liggen; dan worden, al is door den afzender ook nog eene andere bestemmingsplaats aangegeven, de ondernemers beschouwd als zich met het vervoer tot aan die eerste aan den spoorweg liggende plaats te hebben belast, en eindigt hunne verantwoordelijkheid met de aflevering van de goederen te dier plaatse.

Voorschriften in verband met invoerrechten en accijnzen.

76. 1. De afzender van goederen, welke vóór de aflevering aan den geadresseerde de vervulling van formaliteiten voor rechten of accijnzen vereischen, moet bij de aanbieding ten vervoer den spoorwegdienst in het bezit stellen van al de daartoe noodige bescheiden.

2. De ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet verplicht te onderzoeken of de overgelegde beseheiden noodzakelijk, juist en voldoende zijn. Zij en ook de ondernemingen of personen, die het verder vervoer van met den spoorwegdienst verzonden goederen op zich nemen, zijn niet verantwoordelijk voor de gevolgen, wanneer de noodige bescheiden ontbreken of niet volledig en behoorlijk opgemaakt zijn. De afzender is tegenover de ondernemers der spoorwegdiensten verantwoordelijk voor alle boeten en schaden, die hen uit dien hoofde kunnen treffen.

3. Wanneer op het daartoe uitdrukkelijk door den afzender te kennen gegeven verlangen, de ondernemers van den spoorwegdienst zich belasten met de aangifte tot in-, uit- en doorvoer of tot entreposeering, en wanneer zij zich daarbij gedragen overeenkomstig de aanwijzingen van den afzender, dan ontstaat daardoor voor hen geene verantwoordelijkheid. Zij zijn niet verplicht aan zoodanig verlangen te voldoen, en bevoegd die verrichting op te dragen aan eenen expediteur, indien de afzender geen tusschenpersoon heeft aangewezen.

4. Het verrichten der hierbedoelde werkzaamheden door of. van wege de ondernemers van den spoorwegdienst geschiedt tegen daarvoor vastgesteld loon.

5. Indien de afzender voor de vervulling der belastingformaliteiten voorschriften heeft gegeven, welker uitvoering in strijd is met de bestaande wetten of verordeningen, handelen de ondernemers van den spoorwegdienst daaromtrent, zooals zij in het belang van den afzender het voordeeligst achten. Wanneer de ondernemers van den spoorwegdienst van goederen, welke hun zonder de noodige belastingbescheiden zijn overgegeven het vervoer op zich nemen tot de plaats van bestemming of tot het belastingkantoor, waar de aangifte voor de belastingen moet geschieden, dan is de goadresseerde verplicht tot terugbetaling van alle schaden en nadeelen, welke uit onjuistheden, fouten of verzuimen van den afzender voor de ondernemers van den spoorwegdienst mochten ontstaan uit de door dezen op te maken en in te dienen declaratie voor de belastingen, overeenkomstig de aanduidingen van den afzender, behoudens verhaal van den| geadresseerde op den afzender.

6. Geeft de afzender voor het vervullen der » belastingformaliteiten voorschriften, waaruit eene aansprakelijkheid kan ontstaan, welke door de goederen niet of niet toereikend wordt gedekt, hetzij wegens hunne geringe waarde, hetzij omdat de aansprakelijkheid zou blijven doorloopen, nadat de goederen zich niet meer onder het beheer van de ondernemers van den spoorwegdienst bevinden, hetzij om welke andere reden ook, dan kunnen de ondernemers van den spoorwegdienst van den afzender vorderen, dat hij daarvoor vooraf zekerheid stelle, en bij gebreke van dien de aannemingder goederen weigeren. Uit eeno aanneming zonder voorafgaande zokorheidstelling ia evenwel niet af te leiden, dat de afzender van verdere aansprakelijkheid zou zijn ontheven.

7. De geadresseerde mag de goederen niet uit de wagens lossen, noch van het terrein of uit de magazijnen van den spoorweg wegvoeren, vóór dat door of namens hem de belastingbescheiden zijn aangezuiverd en aan alle noodige formaliteiten der invoerrechten en accijnzen^is voldaan. De geadresseerde is verplicht tot terugbetaling van alle schaden en nadeelen, die uit de niet nakoming van deze bepaling voor de ondernemers van den spoorwegdienst mochten ontstaan.

8. De bepalingen van dit artikel doen niet tekort aan de verantwoordelijkheid der ondernemers van den spoorwegdienst jegens het bestuur der belastingen, overeenkomstig de daaromtrent bestaande wetten en verordeningen.

Afdeeling V.

HET AFHALEN EN BESTELLEN DEK GOEDEREN EN HET LOON DAARVOOR TE GENIETEN.

Afhalen en bestellen van goederen.

77. 1. De ondernemers van den spoorwegdienst zijn bevoegd de te vervoeren goederen bij den afzender te doen afhalen, zoo dit door hem wordt verlangd, en de vervoerde goederen bij den geadresseerde te doen bestellen, tenzij de afzender den wensch te kennen heeft gegeven, dat de goederen door den geadresseerde of van zijnentwege worden afgehaald.

2. Hebben de ondernemers van een spoorwegdienst de bestelling van eene zending op zich genomen dan gelden de bepalingen der artikelen 78—81.

3. Het loon voor het afhalen en bestellen van goederen wordt bij de tarieven bepaald.

4. In buitengewone omstandigheden, als onder andere bemoeilijking der vaart door ijs of storm bij vervoer te water, of door sneeuw Of ijzol bij vervoer te land, zijn de ondernemers van den spoorwegdienst bevoegd de prijzen van het hierbedoelde tarief tot ten hoogste het dubbele te verhoogen, of den dienst van het bestellen en afhalen geheel of ten deele te staken gedurende den tijd, dat die buitengewone omstandigheden aanhouden. Zendingen niet boven de driéhonderd kilogram.

78. 1. Tot het doen bestellen van zendingen niet meer wegende dan driehonderd kilogram zijn ondernemers verplicht in gemeenten, waar zij een besteldienst hebben gevestigd, tenzij door den afzender het tegendeel is verlangd.

2. Zendingen, als in het vorige lid bedoeld, worden binnen twaalf uren na aankomst van den trein aan den geadresseerde bezorgd.

3. In de tarieven kunnen soorten van goederen worden aangewezen, voor Welke de bepalingen van de eerste twee leden van dit artikel niet gelden.

Termijn voor het bestellen van goederen.

79. 1. Het bestellen van de goederen geschiedt in volgorde van aankomst en wel, behoudens buitengewone omstandigheden en groote drukte, binnen vier en twintig urén na aankomst aan het station van bestemming.

2. Indien de bestelling aan de ondernemers van den spoorwegdienst niet vóór aankomst der goederen weid opgedragen, begint deze termijn eerst te loopen, nadat de opdracht heeft plaats gehad.

3. De tijd, noodig voor de vervulling van de formaliteiten der invoerrechten en accijnzen, komt niet in aanmerking bij het berekenen van den termijn, binnen welken de bestelling van goederen moet geschieden.

4. Evenmin komen krachtens artikel 84 de Zondagen en de andera aldaar genoemde ‘dagen daarbij in aanmerking.

5. Tusschen tien ure des avonds en aoht ure des voormiddags behoeven geene goederen besteld te worden. Die tijd telt niet mede voor de termijnen voor de bestelling bepaald.

6. Spoedbestellingen – als zoodanig ten kantore aangeboden worden vóór andere goederen bezorgd. Zij worden ook des avonds na tien uren en des ochtends vroegtijdig besteld, indien dat door den afzender wordt verlangd.

‘ 7. Voor spoedbestellingen wordt een in de tarieven te bepalen extra-loon geheven.

Omvang van de eventueel op ondernemers rustende verplichting tot het afhalen en bestellen van goederen. Aanvang van de verantwoordelijkheid van den spoorwegdienst bij het afhalen van goederen.

80. 1. Het afhalen en bestellen door de zorg der ondernemers van spoorwegdiensten behoeft zich niet verder uit te strekken dan binnen een in de tarieven te bepalen b^stelkring.

2. Woningen of bedrijfplaatsen, welke niet langs harde rijwegen met kar en paard te bereiken zijn, kunnen binnen die grenzen worden uitgesloten. Voorwerpen van buitengewonen omvang of buitengewone zwaarte, gevaarlijke artikelen en goederen, door hun aard of de wijze van inpakking licht breekbaar of aan beschadiging onderhevig, worden niet besteld of afgehaald.

3. De af te halen goederen moeten gelijkvloers met en in de onmiddellijke nabijheid van den openbaren weg of vaart gereed liggen.

4. Indien bij aankomst van het voor de afhaling bestemde voer- of vaartuig de goederen niet ter oplading gereed liggen, zijn de beambten of bedienden van den spoorwegdienst bevoegd het voer- of vaartuig te doen terugkeeren, terwijl de persoon, op wiens verlangen de voer- of vaartuigen beschikbaar zijn gesteld, alsdan verplicht is het afhaalloon, berekend volgens het opgegeven af te halen goed, te • voldoen.

5. Bij het bestellen behoeven de goederen niet verder te worden gebracht dan geüjkvloers tot aan den harden rijweg of het vaarwater gelegen woning, pakhuis of kantoor van den geadresseerde. De afzenders en geadresseerden moeten bij het op- en afladen hulp verleenen, wanneer het collo meer dan vijftig kilogram weegt.

6. Bij het afhalen van goederen vangt de verantwoordelijkheid van de ondernemers van den spoorwegdienst aan, nadat de goederen aan het station aangebracht en door afstempeling van den vrachtbrief in ontvangst genomen zijn. De beoordeeling van den uiterlijken staat en de bepaling van het gewicht der afgehaalde goederen geschieden aan het station. 7. Blijkt bij die beoordeeling, dat de zending niet aan alle voorschriften van dit reglement voldoet, dan wordt hiervan aan den afzender kennis gegeven en blijven de goederen voor kosten, risico en schade van den afzender liggen, totdat aan die voorschriften is voldaan of wel worden die goederen hem teruggegeven.
Loon voor te vergeefs ondernomen bestelling van goederen.

81. Voor het terugbrengen naar het station der goederen, die wegens onvoldoend adres of bij weigering van in ontvangst nemen niet zijn kunnen worden afgeleverd, wordt den afzender het gewone beste’loon in rekening gebracht.

Afdeeling VI.

BEHANDELING DEK IN DE RIJTUIGEN OF STATIONS ACHTERGELATEN VOORWERPEN EN DER ONAFGEHAALDE, GEWEIGERDE, OVERBEVONDEN OF ONBESTELBARE GOEDEREN.

Bewaring der goederen.

82. 1. Alle niet aan bederf onderhevige en .onschadelijke voorwerpen, welke op den weg, in of bij de stations, of in de rijtuigen zijn achtergelaten, en alle niet opgevraagde bagage worden door de zorg van de ondernemers van den spoorwegdienst gedurende zes maanden bewaard.

2. Goederen, welke onafgehaald, geweigerd of onbestelbaar zijn, zoomede overbevonden goederen, worden, indien zij niet aan bederf onderhevig en onschadelijk zijn, eveneens door de zorg van de ondernemers van den spoorwegdienst gedurende zes maanden bewaard, of ter keuze van de ondernemers van den spoorwegdienst, overeenkomstig art. 67, in een openbaar magazijn opgeslagen of aan een expediteur in bewaring gegeveD.

3. Zijn het balen, kisten, kofiers, manden, zakken, enz. waarin de goederen gepakt zijn, dan worden die geopend en de inhoud geïnventariseerd door een door ondernemers aangewezen beambte van den spoorwegdienst, in het bijzijn van twee getuigen, die van hunne bevinding proces-verbaal opmaken.

Verkoop van goederen. Behandeling van militaire goederen.

83. 1. Indien de voorwerpen en goederen na verloop van zes maanden niet zijn opgevraagd of daarover door den afzender niet is beschikt, of wanneer deze de goederen heeft geabandonneerd, kan tot verkoop worden overgegaan.

2. De verkoop geschiedt in het openbaar, nadat in een of meer dagbladen de dag, het uur en de plaats van den verkoop zijn aangekondigd.

3. Deze aankondiging zal tevens eene zoo nauwkeurig mogelijke beschrijving dezer voorwerpen en goederen bevatten, opdat de eigenaars of belanghebbenden in staat worden gestald die te herkennen en op te vragen.

4. De verkoop mag eerst geschieden eene maand na de dagteekening van het dagblad of de dagbladen, waarin de aankondiging is geplaatst.

5. Zijn de voorwerpen en goederen aan bederf onderhevig of is de bewaring schadelijk, dan kunnen zij door de ondernemers van den spoorwegdienst aanstonds op de best mogelijke wijze verkocht worden.

6. De opbrengst van den verkoop wordt ten behoeve van den rechthebbende in de consignatiekas gestort, na aftrek van het vrachtloon en van alle zoowel op de goederen drukkende als op den verkoop gevallen onkosten.

7. Deze bepalingen zijn niet van toepassing op voorwerpen, behoorende tot de kleeding, uitrusting en wapening van militairen der land- en zeemacht, beneden den rang van officier. De goederen, behoorende aan militairen van de landmacht, worden tegen ontvangstbewijs kosteloos afgegeven aan den plaatselijken- of gamizoenskommandant in de naastbij een station van den spoorweg gelegen garnizoensplaats; die der militairen van de zeemacht worden aan de directeuren en kommandanten der Marine te Amsterdam of te Willemsoord en die van de militairen van het korps mariniers aan den kommandant van het korps te Amsterdam opgezonden.

8. Indien in de nabijheid een station van den spoorweg gelegen is, worden de goederen, tegen ontvangstbewijs kosteloos aan die autoriteiten afgegeven.
Afdeeling VII.

BEPALINGEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Zondagsrust

84. Tenzij voor bijzondere gevallen door den Minister van Waterstaat anders wordt bepaald, behoeven goederen door de ondernemers der spoorwegdiensten op Zondagen alsmede op 1 Januari, 2 den Paaschdag, Hemelvaartsdag, 2den Pinksterdag, lsten en 2den Kerstdag niet te worden aangenomen, afgehaald, vervoerd, afgeleverd of besteld en worden die dagen niet medegerekend bij de berekening van de termijnen, binnen welke igoederen door de ondernemers behooren te worden afgehaald, afgeleverd of besteld, door de afzenders behooren te zijn geladen, of door de geadresseerden behooren te zijn gelost of weggehaald, en evenmin bij de berekening van de schadevergoeding, ip artikel 74 bedoeld, en van wagenhuur, lig- en magazijngeld, in artikel 66 bedoeld.

Vervoer over spoorwegen, in Nederland en in het buitenland gelegen.

85. Voor het vervoer op een spoorweg, welke gedeeltelijk in Nederland en gedeeltelijk Sn het buitenland is gelegen, kunnen door den Minister van Waterstaat bepalingen worden toegelaten, welke afwijken van die van dit hoofdstuk.

Verklaring van de uitdrukking „station”.

86. In dit hoofdstuk wordt onder station verstaan elke plaats aan den spoorweg, waar treinen tot het opnemen of uitlaten van reinigers of tot het laden of lossen van goederen stilhouden.

HOOFDSTUK V.

S 1 o t b e p a 1 i n g e n.

Spoorwegen, uitsluitend voor het vervoer van goederen bestemd.

87. 1. In afwijking van de artikelen 45, 46 en 47 van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) behoeft bij spoorwegen, welke uitsluitend voor het vervoer van goederen bestemd zijn, niet overeenkomstig de in die artikelen vervatte voorschriften te worden gehandeld.

2. De Minister van Waterstaat kan voor deze spoorwegen geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing verleenen van de bepalingen van dit reglement en van het algemeen reglement voor de spoorwegen, bedoeld in art. 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), voor zooveel hier van toepassing.

Overtreding van uitvoeringsvoorschriften.

88. Het niet naleven van krachtens en ter uitvoering van bepalingen van dit reglement of van bij dit reglement toepasselijk verklaarde bepalingen van bet algemeen reglement voor de spoorwegen, bedoeld in art. 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n° 118) door den Minister van Waterstaat of door den Raad van Toezicht gegeven voorschriften staat gelijk met overtreding van de bepalingen van dit Tèglement.

Verkorte titel.

89. Dit reglement kan worden aangehaald onder den titel „Vereenvoudigd Locaalspoorwegreglement 1902″.

Behoort bij Koninklijk besluit van 18 Augustus 1902 (Staatsblad n°. 170).