B&R tramloc tek001

 

Tramweg Reglement 1902

 

 

ALGEMEEN, REGLEMENT voor de spoorwegen, bedoeld in artikel 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n° 118).Met wijzigingen tot 1913

 

 

HOOFDSTUK I

BEPALINGEN TER VERZEKERING VAN HET VEILIG VERKEER

Afdeeling I.

van den weg en de seinen.

Onderhoud van weg en werken.

Art. 1. De weg en de daartoe behoorende werken worden zoodanig onderhouden, dat die veilig met de overeenkomstig art. 39 toegelaten grootste snelheid kunnen worden bereden.
Schouwing van de weg

Art 2.
1. De spoorweg moet over zijne geheele lengte ten minste eenmaal per week worden geschouwd, waarbij inzonderheid gelet moet worden op de volkomen veiligheid van het spoor.

2. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn gehouden, indien de Rijksambtenaar, met het toezicht belast, zulks verlangt, een bepaalden dag voor de wekelijksche schouwing aan te wijzen.

Profiel van vrije ruimte.

Art 3.
1. Voor eiken spoorweg wordt op voorstel van bestuurders door den Minister van Waterstaat een profiel van vrije ruimte vastgesteld.

2. Binnen dit profiel mag zonder toestemming van den Minister van Waterstaat geen gebouw, muur, schutting, aarden wal of ander verheven voorwerp worden opgericht, noch boomen of houtgewas worden geplant of aangelegd.

3. Bestuurders doen er bovendien mogelijk voor waken, dat zich binnen dat profiel geene voorwerpen bevinden, welke den loop der treinen zouden kunnen belemmeren.
Veiligheidsmaatregel bij samenloop en kruising van sporen.

Art 4.
1. Bij samenloop of kruising van sporen wordt eene grens aangegeven, tusschen welke en den wissel of het kruispunt zich op beide sporen niet tegelijkertijd voertuigen mogen bevinden.

2. Dè wijze, waarop die grens wordt aangegeven, wordt, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, door den Raad van Toezicht vastgesteld.

Afsluiting en bewaking van den spoorweg en andere maatregelen op gevaarlijke punten.

Waarschuwingsborden.

Art 5.
1. Door den Minister van Waterstaat kunnen, het betrokken provinciaal bestuur en bestuurders van den betrokken spoorwegdienst gehoord, bewaking, afsluiting of andere door den spoorwegdienst te nemen maatregelen worden voorgeschreven, waar zulks in het belang van het veilig verkeer over den spoorweg door hem wordt noodig geoordeeld.

2. Langs den spoorweg en langs de overwegen worden op die punten, waar de Raad van Toezicht zulks, het betrokken provinciaal bestuur en bestuurders van den betrokken spoorwegdienst gehoord, in het belang van het veilig verkeer over den spoorweg noodig oordeelt, door den spoorwegdienst waarschuwingsborden geplaatst en onderhouden. Vorm, afmetingen en opschriften dier borden behoeven de goedkeuring van genoemden Raad.

Seinen op den spoorweg.

Art 6.
1. De plaatsing en inrichting van alle seinen op den spoorweg behoeft de goedkeuring van den Raad van Toezicht.

2. Indien zulks voor het veilig verkeer noodig is, kan de Raad aan bestuurders van den spoorwegdienst het opstellen en bedienen van seinen alsmede het wijzigen van bestaande seinen bevelen.

3. Bestuurders zorgen, dat beweegbare bruggen in den spoorweg van seinen zijn voorzien, welke op voldoenden afstand aan de treinen kenbaar maken, of de brug al dan niet veiü’g kan worden bereden, en dat die seinen behoorlijk worden bediend. Het verband van deze seinen met de brug behoeft de goedkeuring van den Raad van Toezicht.

4. Ook zorgen zij, dat het geopend en gesloten zqn van de doorvaart door seinen voor de scheepvaart aangegeven wordt.

5. Van de verplichtingen in het derde en vierde lid bedoeld kan door den Minister van Waterstaat geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing worden verleend,
Treinseinen bij nacht.

art 7. De treinen voeren des nachts van voren twee helder brandende lantaarns met wit licht en van achteren een goed zichtbaar rood licht.
Seinreglement.

art 8.
1. Alle seinen, van welke bij de uitoefening van den dienst op een spoorweg gebruik wordt gemaakt, worden omschreven en hun gebruik wordt geregeld in een reglement, Seinreglement genoemd, dat onder goedkeuring van den Minister van Waterstaat door bestuurders van den spoorwegdienst wordt vastgesteld.

2. In genoemd reglement wordt omschreven, welke seinen des daags en welke des nachts zullen worden gebruikt. Bij mistig weder, sneeuwjacht en bij andere omstandigheden, waardoor de dagseinen niet duidelijk te onderscheiden zijn, worden naast die seinen de nachtseinen gebezigd.

3. Bestuurders zorgen, dat voldoende middelen aanwezig zijn, om de in het eerste lid bedoelde reglement omschreven seinen te geven.
Verbodsbepalingen betreffende het gebruik van den spoorweg voor het gewone verkeer.

Art 9.
Het is aan ieder verboden:
a. met of zonder voertuig op den spoorweg te verblijven, of paarden, vee of andere dieren daarover te drijven, wanneer een trein in aantocht is, en deze daardoor of op eenigerlei andere wijze in zijn loop te belemmeren;
b. over de overwegen, uitwegen en voetpaden, waar deze den spoorweg kruisen, ploegen, eggen, en andere dergelijke gereedschappen, alsook boomstammen en zware voorwerpen te sleepen. Deze moeten over de overwegen, uitwegen of voetpaden worden gedragen of met wagens of sleden worden vervoerd;
c. den spoorweg te berijden met niet tot den spoorwegdienst behoorende voertuigen, welke er op ingericht zijn, om een of meer der wielen langs de spoorstaven te doen loopen.
Kruisingen van spoorwegen op gelijke hoogte.

Art 10.
1. Bij kruising op gelijke hoogte van andere spoorwegen — onverschillig, of op die andere spoorwegen dit reglement al dan niet toepasselijk is — moeten de treinen steeds op tenminste twintig meter voor het kruispunt stilhouden en daar blijven staan, totdat een treinbeanibte zich naar het kruispunt heeft begeven, en van daar uit, door een geluidsein heeft bericht, dat de bewaker van den te kruisen spoorweg toestemming geeft tot den overgang, of bij ontstentenis van bewaker, dat naar zijn oordeel de kruising veilig bereden kan worden.

2. De Minister van Waterstaat is bevoegd voor bijzondere gevallen van de bepalingen van het vorige lid afwijkende voorschriften te geven.

Afdeeling II

VAN HET ROLLEND MATERIEEL.

A. Van de motoren in het algemeen.

Voorschriften betreffende de inrichting der motoren.

Art 11.
1. Elke motor moet voorzien zijn :
a. voor en achter van spoorstaaf ruimers en van eene veerkrachtige koppeling ;
b. van eene luidklinkende bel;
c. van de noodige helder licht gevende lantaarns of seinlampen;
d. van eene krachtige gemakkelijk te bedienen rem, werkende op alle assen of wielen;
e. van inrichtingen, waardoor zooveel mogelijk wordt voorkomen, dat menschen en dieren, die worden aangereden, onder de wielen geraken.

2. De Raad van Toezicht kan ontheffing verleenen van het voorschrift sub 6, wanneer de in artikel 42, derde lid, bedoelde goedkeuring is verkregen, van het vooreohrift sub d. voorzooveel daarin wordt bepaald, dat de rem op alle assen of wielen moet werken, en van het voorschrift sub e.
Inzending van teekeningen van motoren.

Art 12. Alvorens motoren aan te schaffen, bieden bestuurders van den spoorwegdienst aan den Minister van Waterstaat voldoend toegelichte teekeningen van het toe te passen type ter goedkeuring aan. Zij geven daarbij tevens op, welk aantal motoren van het voorgestelde, type zullen worden aangeschaft. Voor aanschaffing van een grooter aantal wordt opnieuw goedkeuring der teekeningen vereischt.
Indienststelling van motoren.

Art 13.
1. Motoren worden niet in dienst gesteld dan na vanwege den Raad van Toezicht te zijn onderzocht en goedgekeurd.

2. Ten bewijze van die goedkeuring strekt de in art. 14 bedoelde akte van vergunning of de krachtens dat artikel verleende voorloopige vergunning.

Akte van vergunning. Voorloopige vergunning.

Art 14.
1. Wanneer het onderzoek van een motor bevredigende uitkomsten heeft opgeleverd en overigens voldaan is aan de bepalingen van dit reglement (voor motoren door stoomkracht bewogen met name aan de artikelen 19 en 21), dan wordt door den Raad van Toezicht eene akte van vergunning uitgereikt.

2. In afwachting van de uitreiking dezer akte kan de met het onderzoek belaste Rijksambtenaar eene voorloopige schriftelijke vergunning tot indienststelling geven. Deze vergunning vervalt, indien zij niet binnen een door genoemden ambtenaar bepaalden termijn door uitreiking der akte van vergunning is gevolgd.

3. In de akte van vergunning wordt vermeld :
a. de naam van den spoorwegdienst, die den motor in gebruik neemt;
b. het volgnummer en de korte omschrijving van den motor;
c. de dag, waarop het onderzoek heeft plaats gehad ;
d. de afwijkingen van dit reglement, die zijn toegestaan of gevorderd (zie art. 30).

4. Indien de motor door stoomkracht wordt bewogen houdt de akte van vergunning bovendien in :
a. den vorm en de afmetingen van den ketel en de grootte van het verwarmingsoppervlak ;
b het aantal van de veiligheidstoestellen en hunne voornaamste afmetingen ;
c. de grootste toegelaten werkelijke stoomdrukking in kilogrammen per vierkanten centimeter.

5. De akte van vergunning moet te allen tijde ter inzage aanwezig zijn in eene door den met het toezicht belasten Rijksambtenaar aan te wijzen werkplaats van den spoorwegdienst, waaronder de motor behoort.

B. Van motoren, door stoomkracht bewogen.

Voorschriften betreffende de inrichting der motoren, welke door stoomkracht worden bewogen.

Art 15.
Elke motor, die door stoomkracht wordt bewogen, moet voorzien zijn:
a. van een goed aansluitonden aschbak, voorzien van eene of meer trekkleppen, die van de standplaats van den machinist kunnen worden bewogen; de bak moet zoodanig zijn ingericht, dat bij geopende klep het uitvallen van brandende stoffen zooveel mogelijk voorkomen wordt;
b. van eene inrichting om het ontwijken van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen zooveel mogelijk te voorkomen;
c. van twee van elkander onafhankelijke voedingstoestellen, die elk voor zich voldoende zijn om ruimschoots in de waterbehoefte van den ketel te voorzien, en waarvan ten minste één niet door het werktuig wordt gedreven. Elk dier voedingstoestellen moet aan den ketel verbonden zijn door eene af sluit inrichting met klep en kraan.
Voorschriften betreffende de inrichting van de ketels der motoren, welke door stoomkracht worden bewogen.

Art 16.
De ketel van eiken motor, die door stoomkracht wordt bewogen, moet voorzien zijn:
a. van een met goed leesbaar volgnummer gemerkten manometer, die, door middel van eene gebogen of waterhoudende pijp met afsluitkraan rechtstreeks met den ketel verbonden, de drukking van den stoom duidelijk aangeeft, en die ten minste twee atmosferen meer drukking kan aanwijzen dan de grootste toegelaten werkelijke drukking, welke op de wijzerplaat door een duidelijk merk moet zijn aangewezen;
b. van eene van den ketel afsluitbare pijp met flens van veertig millimeter middellijn en vijf millimeter dikte of van eene andere inrichting, om een contrólemanometer met den ketel in verbinding te kunnen stellen;
c. van een waterpeilglas met afsluit- en doorblaaskranen en schermplaat of koker, zoodanig ingericht, dat het waterpeil goed waarneembaar blijft, en van twee proefkranen, waarvan de laagste ten minste honderd millimeter boven het hoogste punt van de vuurkast moet zijn aangebracht, of van een tweede, als boven opgegeven ingericht peilglastoestel; de peilglazen en proefkranen moeten van elkander onafhankelijk, dus niet aan dezelfde pijp aangebracht zijn; de openingen der kranen moeten doorgestoken kunnen worden;
d. van een zelfwerkend middel, waardoor watergebrek in den ketel wordt kenbaar gemaakt ; als zoodanig kunnen dienen eene of meer in de hemelplaat van de vuurkast aangebrachte doorboorde proppen, gevuld met een metaal, dat smelt alvorens de plaat gevaarlijk oververhit wordt ; de kleinste doorsnede dezer vulling, die ten minste eens per jaar vernieuwd moet worden, mag niet kleiner zijn dan een halve vierkante centimeter;
e. van eene spuikraan en de noodige waschgaten;
f van ten minste twee veiligheidskleppen, voldoende aan de bepalingen van art. 18.
Verdere voorschriften betreffende de inrichting van de ketels.

Art 17.
1. Zoowel de waterstand als de stoom drukking moeten van de standplaats van den machinist gemakkelijk kunnen worden waargenomen.

2. De in den ketel toe te laten laagste waterstand moet op den ketelwand nabij een peilglas met een duidelijk merk worden aangegeven.

3. Die waterstand is ten minste honderd millimeter boven het hoogste punt van de vuurkast.

4. De stand van het peilglas moet zoodanig zijn, dat het water daarin niet lager dan vijftig millimeter beneden het hierboven bedoelde merk zichtbaar blijft.

5. Alle kranen aan den ketel, waarvan de aanvoeropening grooter is dan dertig millimeter, moeten zoodanig zijn ingericht, dat bij het breken van de pakking- of ppsluitbouten de pluggen niet weggeslingerd kunnen worden.

6. De steunschroefbonten, waarmede de wanden van de vuurkast en van den ketel onderling verbonden zijn, moeten over de lengte geheel of ten deele doorboord zijn.

7. Het gebruik van gegoten ijzer is voor die deelen van den ketel, welke aan de stoomdrukking blootstaan, verboden.
Veiligheidskleppen.

Art 18.
1. De in art. 16 sub / bedoelde veiligheidskleppen moeten op den ketel of den stoomhouder zoodanig worden geplaatst, dat zij, wanneer de ketel in werking is, gemakkelijk kunnen worden onderzocht; van die kleppen moet tenminste eene afgesloten zijn en eene door den machinist van zijne standplaats kunnen worden ontlast. Van de bepaling dat ten minste eene veiligheidsklep moet zijn afgesloten, kan door den Baad van Toezicht ontheffing worden verleend.

2. De veiligheidskleppen sluiten met vlakke randen op hare beddingen.

3. De breedte van deze randen bedraagt ten hoogste het twintigste gedeelte van de middellijn der openingen, doch in geen geval meer dan drie millimeter.

4. De kleppen moeten ten minste twee millimeter opgelicht kunnen worden, vóórdat de belasting van de klep zooveel toeneemt als overeenkomt met een kilogram per vierkante centimeter. Zij moeten ten minste drie millimeter kunnen lichten.

5. De kleinste waarde te nemen Voor de middellijn der openingen van elke der in het eerste lid bedoelde veiligheidskleppen, wordt, zoo er niet meer dan twee aanwezig zijn, berekend met de formule :

d = 2.6 1/ v. p + 0.621

waarin wordt voorgesteld door :

d de middellijn in centimeters ;

p de werkelijke drukking van den stoom in kilogrammen per vierkanten centimeter;

w het verwarmingsoppervlak in vierkante meters, waartoe wordt geacht te behooren het oppervlak in de vuurkast boven den rooster gelegen en dat waarlangs de verbrandingsproducten naar den schoorsteen gaan.

6. Heeft een ketel meer dan twee veiligheidskleppen, dan moet de som van de doorsneden der klepopeningen ten minste gelijk zijn aan de som van de doorsneden, die de openingen zouden moeten hebben bij slechts twee kleppen, en de middellijn van elke klepopening niet kleiner zijn dan drie vierde van de met de formule berekende waarde.

7. De middellijn eener klepopening mag nooit kleiner dan twee centimeter zijn.

Ingebruikneming van stoomketels.

Art 19.
1. Stoomketels op motoren worden niet in gebruik genomen dan na vanwege den Raad van Toezicht te zijn onderzocht en goedgekeurd.

2. Bestuurders van den spoorwegdienst zenden van eiken op een motor in gebruik te nemen ketel aan den Raad van Toezicht eene opgave behelzende:
a. het dienstnummer, fabrieksnummer, den naam en de woonplaats van den maker en het jaar van aanbouw ;
b. het materiaal, waaruit de ketel gemaakt is ;
c. de uitgestrektheid van het verwarmingsoppervlak, bepaald overeenkomstig de in art. 18 gegeven omschrijving;
d de afmetingen van de veiligheidskleppen en toebehooren;
e. de toestellen, dienende om het waterpeil waar te nemen, die om het op de gevorderde hoogte te honden en die, bestemd om watergebrek te verraden;
f de gewenschte grootste werkelijke ‘drukking (overdrukking) in kilogrammen per vierkanten centimeter;
g. ingeval de ketel elders dienst heeft gedaan, den dag van eerste ingebruikneming en de herstellingen, die hij in de laatste zes jaren heeft ondergaan.

3. Indien de in art. 12 bedoelde teekening van den motor den ketel niet voldoende duidelijk in doorsnede aangeeft, moet eene afzonderlijke teekening van den ketel met toebehooren, waarop de maten zijn ingeschreven, worden overgelegd.

Beproeving en onderzoek van stoomketels na de indienststelling.

Art 20.
1. Behalve vóór de indienststelling worden de stoomketels der motoren vanwege den Raad van Toezicht beproefd:
a. telkenmale nadat de vlampijpen zijn verwijderd geweest;
b. na elke groote herstelling; en
c. in elk geval om de drie jaren.

2. Ten hoogste acht jaren na de indienststelling van een nieuwen stoomketel en daarna telkens na zes jaren moet de ketel inwendig worden nagezien, nadat daartoe de vlampijpen zijn uitgenomen.
Beproeving van stoomketels.

Art 21.
1. De stoomketels worden in onbekleeden, of, met goedvinden van den Raad van Toezicht, in bekleeden toestand beproefd.

2. De beproeving geschiedt met water op eene werkelijke drukking, bedragende vijf kilogrammen per vierkanten centimeter meer dan de gewenschte werkelijke stoomdrukking.

3. Zij duurt zoo lang als noodig is om de verschillende deelen van den ketel behoorlijk te onderzoeken. De proefdrukking moet direct worden gemeten met een bijzonderen proefmanometer, welks aanwijzing van tijd tot tijd wordt onderzocht.

4. Bij gelegenheid van elke beproeving wordt de juistheid van de’ belasting der veiligheidskleppen en van de aanwijzing van den manometer nagegaan.

5. Be uitkomst van eene beproeving is onvoldoende, zoo eenig deel van den ketel eene nadeelige vervorming heeft ondergaan, of zoo andere belangrijke gebreken aan den dag zijn gekomen.
Voorschriften voor het geval, dat de beproeving of het onderzoek na de – indienststelling onvoldoende uitkomsten oplevert.

Art 22.
1. Indien eenige beproeving of eenig onderzoek na de indienststelling onvoldoende uitkomsten heeft opgeleverd, mag de stoomketel niet weer in gebruik worden genomen, dan nadat de door den Raad van Toezicht noodig geachte voorzieningen zijn aangebracht.

2. Blijkt uit zoodanige beproeving of zoodanig onderzoek, dat de stoomketel van een motor niet meer onder de vroeger toegelaten hoogste stoomdrukking veilig werken kan, zoo wordt door den Raad van Toezicht aan bestuurders de keus gelaten de door den Raad noodig geachte voorzieningen,aan te brengen, of wel de ketel voortaan met aanwending van eene op te geven lagere drukking te gebruiken. In het laatste geval wordt de vroeger voor den motor, waarop de ketel gebruikt wordt, verleende akte van vergunning door eene nieuwe vervangen.
Register van ketelbeproevingen.

Art 23.
1. Van elke beproeving en van elk onderzoek, als in de artikelen 19 en 20 bedoeld, wordt door den daarmede belasten Rijksambtenaar aanteekening gehouden in een register daartoe door bestuurders onder goedkeuring van den Raad van Toezicht aan te leggen.

2. In dat register wordt tevens aanteekening gedaan van de wijzigingen en de belangrijke herstellingen, die de ketel sedert de vorige beproeving heeft ondergaan, en van zijnen toestand.
Maatregelen bij ketelbeproevingen door den spoorwegdienst te nemen.

Art 24.
Bij elke beproeving van den stoomketel op een motor wordt vanwege bestuurders van den spoorwegdienst zorg gedragen, dat:
a. de ketel, indien deze op den motor ter beproeving wordt aangeboden, geplaatst zij boven een droog liggenden aschkuil, en in elk geval te bekwamer hoogte voor het onderzoek ;
b. de vuur- en rookkast en de pijpen behoorlijk gereinigd en de • aschbak, roosters, vuurbrug, enz. verwijderd zijn.
C. Van rijtuigen en wagens.

Voorschriften betreffende de inrichting van rijtuigen en wagens.

Art 25.
1. De rijtuigen en wagens moeten op veeren rusten en onderling en met den motor door veerkrachtige koppelingen verbonden kunnen worden.

2. De balcons der rijtuigen moeten van naar het oordeel van den Raad van Toezicht voldoende beweegbare afsluitingen worden voorzien.

3. De rijtuigen moeten voorzien zijn van voldoende middelen tot verlichting. Zij zijn gedurende den tijd, dat zij ten dienste van het publiek gebruikt worden, des nachts behoorlijk verlicht.
Inzending van teekeningen van rijtuigen en wagens.

Art 26. Alvorens rijtuigen of wagens aan te schaffen, bieden bestuurders van den spoorwegdienst aan den Minister van Waterstaat voldoend toegeliohte teekeningen van het toe te passen type ter goedkeuring aan. Zij geven daarbij tevens op, welk aantal rijtuigen of wagens van het voorgestelde type zullen worden aangeschaft. Voor aanschaffing van een grooter aantal wordt opnieuw goedkeuring der teekeningen vereischt.
Indienststelling van rijtuigen en wagens. Vaststelling maximum-belasting.

Art 27.
1. Rijtuigen en wagens worden niet in dienst gesteld, dan na vanwege den Raad van Toezicht te zijn onderzocht en goedgekeurd, ten bewijze waarvan door of vanwege genoemden Raad eene schriftelijke vergunning tot ingebruikneming wordt verleend.

2. Bij de goedkeuring wordt door den Raad van Toezicht voor de rijtuigen het maximumaantal personen, dat in elk rijtuig of elke afdeeling en op elk baleon mag worden vervoerd, en voor de wagens het maximum-draagvermogen vastgesteld.

3. Het is verboden de rijtuigen en de wagens boven genoemde maxima te beladen.
D. Bepalingen van algemeenen aard.
Onderhoud van het materieel en onderzoek na de indienststelling.

Art 28.
1.Het materieel moet voortdurend in goeden toestand van onderhoud worden gehouden.

2. Alle voertuigen moeten ten minste eenmaal in de drie jaren, en voorts zoo dikwijls en zoodra de Raad van Toezicht zulks noodig acht, worden gelicht en onderzocht, waarbij de assen, potten en draagveeren worden verwijderd. De termijn van drie jaren wordt gerekend van den dag, waarop het voertuig na het laatste onderzoek is in dienst gesteld.

3. Bij het onderzoek van motoren, welke door stoomkracht worden bewogen, wordt de juistheid van de belasting der veiligheidskleppen en van de aanwijzing van den manometer nagegaan.

Verplichtingen van bestuurders ten aanzien van onderzoekingen en beproevingen vanwege den Raad van Toezicht.

Art 29.
Voor alle onderzoekingen en beproevingen van rollend materieel of ketels, welke vóór of na de indienststelling vanwege den Raad van Toezicht geschieden, worden door bestuurders van den spoorwegdienst de noodige hulpmiddelen, werktuigen en werklieden kosteloos beschikbaar gesteld.

Afwijkende bepalingen voor voertuigen van bijzondere inrichting.

Art 30.
1. Blijkt uit eenig onderzoek van een voertuig, dat om zijne bijzondere inrichting de toepassing van eene of meer der in dit reglement gestelde bepalingen geheel of ten deele onnoodig is, zoo kunnen die door den Baad van Toezicht geheel of ten deele buiten toepassing worden verklaard.

2. Wanneer daarentegen het gebruik van een voertuig eigenaardige bezwaren oplevert, die in dit reglement niet zijn voorzien, zoo kan de vergunning tot ingebruikneming door den Raad van Toezicht verleend wordeD onder voorwaarde, dat aan die bezwaren door aan te geven maatregelen wordt tegemoet gekomen.

3. De toegelaten afwijkingen van dit reglement of de voorgeschreven maatregelen worden in de vergunning vermeld.

Voorschriften betreffende de wielen der voertuigen.

Art 31.
1. De wielen van alle voertuigen moeten spoorkransen hebben van voldoende hoogte.

2. Alleen voor de wielen van de middelste assen van een raamgestel, hebbende meer dan twee assen, kan de Raad van Toezicht hiervan vrijstelling geven.

3. De breedte van de wielen aan den omtrek (zoogenaamde wielbandbreedte) moet zoo groot zijn, dat bij de grootste voorkomende’ speelruimte en geheel naar eenen kant verschoven as, de buitenkant van het wiel ten minste vijf en veertig millimeter voorbij den binnenkant van de spoorstaaf reikt.
Opschriften op het rollend materieel.

Art. 32.
1. Op eene zichtbare plaats wordt duidelijk aangegeven :
a. op alle voertuigen : de naam of het merk van den spoorwegdienst, het volgnummer, de dag van indienststelling en die van de laatste lichting, de radstand en het gewicht met en zonder wielen en assen;

b. op de rijtuigen: de klasse, waartoe elk rijtuig of elke afdeeling behoort, zoo er althans verschillende klassen zijn, alsmede in elk rijtuig of elke rijtuigafdeeling en op elk balcon het door den Raad van Toezicht krachtens art. 27 vastgestelde maximum aantal personen, dat zich daarin of daarop mag bevinden;
c. op de wagens: het door den Raad van Toezicht krachtens art. 27 vastgestelde maximumdraagvermogen.

2. Bovendien worden zoo noodig op de baloons en in de rijtuigen waarschuwingen voor de reizigers tegen het uitsteken van lichaams- doelen buiten het rijtuigprofiel en tegen het op eene gevaarlijke wijze verlaten der rijtuigen aangebracht.

Omgrenzingsprofiel.

Art 33. Alle voertuigen op een spoorweg in ge; bruik moeten bhjven binnen het omgrenzingsprofiel, dat op voorstel van bestuurders van den spoorwegdienst door den Minister van Waterstaat voor dien spoorweg is -vastgesteld.

Registers rollend materieel.

Art 34.
1. Door bestuurders van eiken spoorwegdienst worden een of meer registers aangelegd, waarin voor elk voertuig afzonderlijk de herstellingen en de wijzigingen, alsmede de dagen van en de bevindingen bij de in art. 28 bedoelde onderzoekingen worden opgeteekend.

2. In die registers wordt bovendien van eiken motor eene korte omschrijving opgenomen, benevens, zoo de motor door-stoomkracht wordt bewogen, de dagen van en de bevindingen bq de in de artikelen 19 en 20 bedoelde beproevingen en onderzoekingen.

Materieel van spoorwegen, waarop dit reglement niet van toepassing is.
Gebruik van materieel van een onder dit reglement vallenden spoorweg op een anderen dergelijken spoorweg.

Art 35.
1. Rollend materieel van spoorwegen, waarop dit reglement niet van toepassing is, mag op de in dit reglement bedoelde spoorwegen niet gebruikt worden dan met voorafgaande goedkeuring van den Raad van Toezicht en met inachtneming van de voorwaarden door dien Baad te stellen.

2. Materieel van een onder dit reglement vallenden spoorweg mag op een anderen dergelijken spoorweg worden gebruikt, tenzij dit gebruik door den Raad van Toezicht is uitgesloten.

Afdeeling III.

VAN DE TREINEN.

Plaatsing der motoren in de treinen.

Art 36.
1. De motor wordt steeds aan het hoofd van den trein geplaatst.

2. Het duwen van treinen is toegelaten,. mits de snelheid niet grooter is dan tien kilometer in het uur en het in de richting der beweging zich bevindende voorste voertuig goed wordt bewaakt.

3. Meer dan twee motoren mogen zich niet in een trein bevinden. Zij vormen steeds de beide eerste voertuigen. De machinist van den voorsten motor geeft de noodige seinen.

4. Door den Raad van Toezicht kan voor spoorwegen, op welke het vervoer door middel van electrische beweegkracht geschiedt, afwijking van de eerste drie leden van dit artikel worden toegestaan.
Treinbeambten, treininrichting en Treinlengte.
Art 37.
1. Op eiken trein, onverschillig óf deze slechts uit een motor dan wel uit meer voertuigen bestaat, bevindt zich behalve de machinist nog een beambte, die zich gedurende den rit op den motor moet ophouden, tenzij de trein- Zoodanig is ingericht, dat hij zich van uit een ander voertuig, waarin hij zich gedurende den rit moet bevinden of dat hij zonder bezwaar moet kunnen bereiken, op den motor kan begeven of op eene andere door den Raad van Toezicht goedgekeurde wijze den trein tot stilstand kan brengen.

2. Treinen voor reizigersvervoer moeten zoodanig zijn ingericht en daarin moet zich gedurende den rit een beambte op zoodanige plaats bevinden, dat deze zich in alle rijtuigen kan begeven, waarmede reizigers vervoerd worden, en zich op een door den Raad van Toezicht goedgekeurde wijze met den machinist in verbinding kan stellen.

3. Door den Raad van Toezicht kan voor treinen, door electrische beweegkracht vervoerd, geheel, ten deele of voorwaardelijk, ontheffing Verleend worden van het bepaalde in het tweede lid, voor zooveel daarin is voorgeschreven, dat een beambte zich gedurende den rit in alle ‘rijtuigen moet kruinen begeven.

4. De Raad van Toezicht is bevoegd te bepalen, dat op een spoorweg de lengte der treinen zekere grenzen niet zal mogen overschrijden.

Remmen.

Art 38.
1. Worden in een trein voor reizigersvervoer meer dan drie rijtuigen geplaatst, dan moeten de rijtuigen en de motor voorzien zjjn van eene doorgaande rem, die door den machinist op. den motor in werking kan worden gesteld. Bij gebruik van rijtuigen niét langer dan zeven meter worden twee van deze voor een gerekend.

2. In zulk een van doorgaande rem voorzienen trein mogen niet meer dan twee niet van bediende remmen voorziene wagens worden medegevoerd.

3. Bij treinen, welke over hellingen steiler dan 1 :50 met een hoogteverschil van drie meter of meer worden vervoerd, moet het achterste voertuig van een bediend remtoestel zijn voorzien.

4. De Baad van Toezicht kan van de bepalingen van het eerste, tweede en derde lid geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing verleenen, en is bevoegd, de doorgaande rem voor alle treinen voor reizigersvervoer op een spoorweg verplichtend te stellen, indien zulks met het oog op het lengteprofiel van den spoorweg, de opeenvolging der treinen of andere omstandigheden wenschelijk mocht blijken.

Snelheid.

Art 39.
1. De snelheid, waarmede de treinenworden vervoerd, mag die van twintig kilometer in het uur niet overschrijden.

2. Zjj moet worden verminderd, overal waar de maximum-snelheid voor het verkeer over den spoorweg gevaar kan opleveren.

3. Het maximum der snelheid wordt alsdan bepaald door den Raad van Toezicht, na bestuurders van den betrokken spoorwegdienst en het betrokken provinciaal bestuur te hebben gehoord.

4. Ook kan voor punten, waar zulks in het belang van het veilig verkeer over den spoorweg wenschelijk mocht zijn, door dien Raad worden voorgeschreven, dat en op welke wijze een beambte van den spoorwegdienst voor den trein uit zal gaan.
Aanwezigheid van gereedschappen in de treinen.

Art 40. Op eiken trein moeten de noodige gereedschappen -voorhanden zijn, om in kleine ongevallen en herstellingen van het rollend materieel te voorzien.
Nazien van de treinen.

Art 41. Elke trein moet, voordat hij het station, waar hg is samengesteld, verlaat, geheel zijn nagezien, waarbij er in het bijzonder op moet worden gelet dat:
a. de voertuigen geene gebreken vertoonen, die voor de veiligheid van het verkeer gevaar kunnen opleveren ;
b. de motor en de andere voertuigen onderling goed gekoppeld zijn;
c. de gevorderde seinen en lantaarns aangebracht of aanwezig zijn.

Verplichtingen van den machinist bij het voeren van een trein.

Art 42.
1. De machinist is verplicht bij het rijden, in het bijzonder waar de spoorweg is aangelegd op den openbaren weg, steeds nauwlettend acht geven op zijne omgeving en om, hetzij in geval van belemmering op den spoorweg, hetzij ter voorkoming van ongelukken op den openbaren weg, de snelheid te verminderen of den trein zoo noodig tot stilstand te brengen.

2. Hij geeft met de in art. 11, eerste lid, sub b bedoelde bel waarschuwingsseinen aan let publiek, zoo dikwijls dit noodig is, bepaaldelijk vóór het oversteken van den weg, wanneer de trein zich op den openbaren weg bevindt, alsmede bij het naderen van langs den spoorweg staande gebouwen, die over den spoorweg uitweg hebben, en bij het naderen van een overweg.

3. Met goedkeuring van den Minister van Waterstaat, kunnen de in het tweede lid bedoelde waarschuwingsseinen op eene andere wijze dan met de bel worden gegeven.

Wijze van rijden bij dubbel spoor.

Art 43. Waar dubbel spoor ligt, wordt onder gewone omstandigheden tusschen de stations en halten het ten opzichte van de richting van beweging rechts liggende spoor bereden. Bij werktreinen, bij hulptreinen, bij ongevallen en bij andere buitengewone omstandigheden kan onder verantwoordelijkheid van den beambte, die zulks beveelt, van dezen regel worden afgeweken.

Afstand tusschen opeenvolgende treinen.

Art 44.
1. Een trein mag een anderen trein niet volgen, voordat laatstgenoemde trein ten minste tweehonderd meter verwijderd is. Deze afstand wordt tusschen twee opeenvolgende in beweging zijnde treinen zooveel mogelijk bewaard.

2. Door den Raad van Toezicht kan voor treinen, door electrische beweegkracht vervoerd, ontheffing verleend worden van het bepaalde in het eerste lid, in dien zin, dat de in dat lid genoemde afstand van tweehonderd meter tot éénhonderd meter wordt terugger bracht.
Toezicht op motoren in dienstvaardigen staat.

Art 45.
1. Motoren in dienstvaardigen staat staan voortdurend onder behoorlijk toezicht.

2. Van motoren, welke door stoomkracht worden bewogen, moet bovendien in dat geval, zoo zij stilstaan, de stoom zijn afgesloten en de gangkruk in rust gesteld zijn.

Rangeerende treinen.

Art 46.
De bepalingen omtrent de treinen, vervat in de artikelen 36, 37, 40 en 44 zijn niet van toepassing op rangeerende treinen.

Voorschriften betreflende treinen, geheel bestaande uit materieel van spoorwegen, voor welke geldt de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

Art 47.
1. Treinen, geheel bestaande uit materieel van spoorwegen, voor welke geldt de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67), daaronder begrepen die, welke vallen onder art. 1 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), blijven, ook indien zij rijden op de in dit reglement bedoelde spoorwegen, onderworpen aan de voorschriften betreffende samenstelling, reminrichting, treinseinen, enz., welke voor de eerstbedoelde spoorwegen van kracht zijn.

2. De Raad van Toezicht kan deze bepaling geheel, ten doele of voorwaardelijk buiten werking stellen.

Afdeeling IV.

BEPALINGEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

Eischen aan de beambten te stellen. Ontslag van ongeschikte beambten.
Art 48.
1. Alle beambten, wier werkzaamheden op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, moeten kunnen lezen en schrijven, alsmede een voldoend gehoorvermogen en een normaal gezichtsvermogen, bezitten, voor zoover zulks voor de behoorlijke uitoefening van hun dienst wordt vereiscbt.

2. Beambten, die werkzaamheden, welke op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, naar het oordeel van den Minister van Waterstaat niet behoorlijk vervullen, worden op vordering van dien Minister door bestuurders van den spoorwegdienst van die werkzaamheden ontheven.
Speciale bepalingen voor den machinist.

Art 49:
1. De machinist moet geheel bekend zijn met de inrichting van den motor, met die der andere voertuigen en met het gebruik der verschillende toestellen, handels, enz. op den motor. Hij moet bovendien kleine herstellingen aan het materieel kunnen uitvoeren.

2. Hij moet den leeftijd van een en twintig jaar bereikt hebben.

3. Ten bewijze, dat hij aan bovenstaande voorwaarden voldoet, wordt hem door bestuurders van den spoorwegdienst eene akte uitgereikt.

Dienst- en rusttijden.

Art 50.
1. De dienst- en rusttijden van de beambten van den spoorweg, wier werkzaamheden op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, worden, behoudens buitengewone omstandigheden, geregeld als volgt:
a. geen diensttijd mag meer bedragen dan zestien achtereenvolgende uren;
b. in elk tijdvak van drie achtereenvolgende etmalen mag de gezamenlijke duur van de diensttijden niet meer bedragen dan vier en veertig uren;
c. tusschen elke twee opvolgende diensttijden moet een onafgebroken rusttijd worden gelaten van ten minste tien uren, gedurende welken de beambten geheel vrij moeten zijn van eiken dienst en van elke bemoeienis met den spoorweg;
d. boven dezen onafgebroken rusttijd moeten gedurende den diensttijd de noodige korte tijden van rust voor het gebruiken der maaltijden worden toegestaan.

2. Onder diensttijd woïrdt verstaan de tijdruimte, gelegen tusschen bet oogenblik, waarop de beambte aanwezig moet zijn om zijn dienst te beginnen en dat, waarop hij zijn werk kan verlaten tot het genieten van den genoemden onafgebroken rusttijd; onder etmaal het tijdsverloop van middernacht tot middernacht. Onder buitengewone omstandigheden worden niet begrepen zoodanige omstandigheden ‘en bijzondere dienstverrichtingen, als door bestuurders van den spoorwegdienst hadden kunnen worden voorzien.

3. Behalve de onder c en d van het eerste lid bedoelde rusttijden, moeten alle in dat lid bedoelde beambten ten minste zes en twintig dienstvrije tijden in het jaar genieten, waarvan ten minste acht met een Zondag of algemeen erkenden Christelijken feestdag moeten samenvallen. Behoort echter een beambte tot een kerkgenootschap, dat den wekelijkschen rustdag niet op Zondag viert, dan moeten, wanneer hij aan bestuurders van den spoorwegdienst zijn verlangen daartoe heeft te kennen gegeven, laatstbedoelde cüenstvÈrje tijden samenvallen met den dag, welke door zijn kerkgenootschap als wekelijksche rustdag is «ingenomen. De duur van elk der dienstvrije tijden moet, indien zij niet onafgebroken op elkander volgen, ten minste dertig uur bedragen; volgen eenige dienstvrije tijden elkander op, dan moet de duur van elk dier tijden ten minste vier en twintig uur bedragen.

4. Ingeval van twijfel, alsmede bij verschil van zienswijze of de bepalingen van dit artikel op een beambte van toepassing zijn, beslist de MinLter van Waterstaat.

5. De Minister van Waterstaat is bevoegd van de bovenstaande bepalingen geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing te verleenen, indien dit naar zijn oordeel met de veiligheid van het verkeer is overeen te brengen.

Gebruik van niet door mechanische kracht bewogen voertuigen.

51. Niet door mechanische kracht bewogen voertuigen, zooals werkwagens en dienstwagens, mogen op den spoorweg sleohts gebruikt worden onder verantwoordelijkheid van den begeleidenden beambte en zoodanig, dat het veilig en regelmatig verkeer over den spoorweg daarvan geen nadeel ondervindt.
Buitengewone omstandigheden en ongevallen.

Art 52.
1. Indien zich gedurende den rit feiten of | omstandigheden voordoen, waardoor de veiligheid van het verkeer over den spoorweg in gevaar kan worden gebracht, geeft de beambte, aan wien de leiding van den trein is opgedragen, zoo spoedig mogelijk daarvan kennis aan den beambte van het meest nabij gelegen station.

2. Bij ongevallen neemt eerstgenoemde beambte de noodige maatregelen tot beveiliging van den trein.

Hulp bij ongevallen.

Art 53. Bestuurders van den spoorwegdienst moeten ten genoegen van den Raad van Toezicht de noodige maatregelen nemen, waardoor wordt verzekerd, dat bij een ongeval spoedig hulp kan worden verleend en zoo noodig de weg ontruimd en hersteld.
Kennisgeving van ongevallen.

Art 54.
1. Van alle feiten, die de veiligheid van het verkeer over den spoorweg in gevaar hebben gebracht, ook dan wanneer daaruit geenerlei noodlottige gevolgen zijn ontstaan, geven bestuurders van den spoorwegdienst zoo spoedig mogelijk schriftelijk kennis aan den Rijksambtenaar met het dagelijksch toezicht belast.

2. Bij ernstige ongevallen wordt bovendien na het onderzoek door bestuurders een verslag, waarin zooveel mogelijk de oorzaken van het ongeval zijn vermeld, aan den Raad van Toezicht en aan den bovenbedoelden Rijksambtenaar toegezonden.

3. Zoo het voorval den dood of de verwonding van een of meer personen ten gevolge heeft gehad, geschiedt de in het eerste lid oedoelde kennisgeving per telegraaf, en wordt van het gebeurde door bestuurders onmiddellijk bericht gegeven aan den burgemeester der, gemeente, in welke het ongeval heeft plaats gehad, en aan den Officier van Justitie hij de: arrondissements-rechtbank, onder welke die gemeente ressorteert. Tot lijkschouwing zal slechts in overleg met laatstgenoemden ambtenaar mogen worden overgegaan.

4. Kennisgeving aan den burgemeester zal ook plaats vinden, wanneer het voorval heeft plaats gehad op een spoorweggedeelte, hetwelk op of in de onmiddellijke nabijheid van den openbaren weg is aangelegd.

Bepalingen betreffende beschonken, zieke of gevaarlijke personen.

Art 55. Personen, in kennelijk beschonken toestand of lijdende aan besmettelijke ziekten, of die wegens andere redenen gevaarlijk zijn, Worden niet in den trein toegelaten, en zoo de omstandigheid eerst gedurende de reis ontdekt wordt, daaruit verwijderd; alles tenzij er gelegenheid bestaat tot afzonderlijke plaatsing, en behoudens inachtneming van de bepalingen der wet van 4 December 1872 (Staatsblad n°. 134), tot voorziening tegen besmettelijke ziekten, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 Juni 1901 (Staatsblad n°. 157).

Bepalingen betreffende gevaarlijke en zieke dieren.

Art 56. Gevaarlijke en zieke dieren mogen niet worden vervoerd, tenzij onder behoorlijk geleide en met zoodanige voorzorgen als de veiligheid vordert.

Bepalingen betreffende ontplofbare stoffen.

Art 57.
1. Voor zelfontbranding of ontploffing vatbare stoffen mogen niet worden vervoerd.

2. Hiervan zijn uitgezonderd de munitiën, welke tot de uitrusting van in dienst reizende militairen of politiebeambten behooren, het buskruit, dat reizigers met zich voeren, mits in niet grooter hoeveelheid dan van één kilogram, en in behoorlijk gesloten metalen verpakking, alsmede de patronen voor handvuurwapenen, welke reizigers, die zich ter jacht of naar schietoefeningen begeven, met zich voeren, mits behoorlijk verpakt of in een tasch gesloten.

3. Ook mogen worden vervoerd patronen voor handvuurwapenen, waarvan de hulzen geheel uit metaal zijn vervaardigd, voor Rijksdienst verzonden en in kisten verpakt.

4. Geladen vuurwapenen worden niet toegelaten.
Maatregelen van orde.

Art 58.
1. Het is verboden :
o. zich zonder toestemming van een beambte van den spoorwegdienst op een motor of in een wagen té begeven;
b. zich in een rijtuig of rijtuigafdeeling te begeven of daarin te verblijven, wanneer dit door een beambte van den spoorwegdienst wordt verboden, op grond, dat daarin het in art. 32 bedoelde maximum aantal personen aanwezig is;
c. op een balcon te verblijven, wanneer dit door een beambte van den spoorwegdienst wordt verboden, op grond, dat daarop het in art. 32 bedoelde maximum-aantal personen aanwezig is;
d. in de rijtuigen te gaan of daartoe pogingen aan te wenden, wanneer de trein in beweging is, of uit de rijtuigen te stappen wanneer de trein nog niet geheel stilstaat;
e. de rijtuigen te verlaten aan eene andere zijde dan die, welke daarvoor eventueel is aangewezen ;
f. af te wijken van de bevelen door een beambte van den spoorwegdienst gegeven tot handhaving van eenige bepaling van dit reglement of in het belang van de veiligheid van het verkeer.

2. De beambte bedoeld sub b, e en / moet een onderscheidingsteeken zichtbaar dragen.

3. Dit onderscheidingsteeken behoeft de goedkeuring van den Raad van Toezicht.

Publicatie van reglements- en wetsbepalingen.

Art 59.
1. Een door den Raad van Toezicht goedgekeurd ‘uittreksel uit dit reglement, uit de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67) en uit die van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), bevattende de voorschriften door het publiek in acht te nemen, moet in elk rijtuig en in elke rijtuigafdeeling, alsmede in of nabij elk wachtlokaal op eene wijze, dat het duidelijk leesbaar is, worden opgehangen of aangeplakt.

2. In dat uittreksel worden ook de straffen vermeld, welke op overtreding van bovenbedoelde bepalingen zijn gesteld, en worden voerts opgenomen de artikelen 164, 165, 179— 183, 350, 351 en 3516i’« van het Wetboek van Strafrecht.

HOOFDSTUK II.

BEPALINGEN BETREFFENDE DE AANKONDIGING VAN DE OPENING EN VAN DE REGELING VAN DEN DIENST.

Aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst op den spoorweg.
Art 60.
1. Bestuurders zgn verplicht ten minste acht dagen vóór de opening van den dienst op een spoorweg:
a. aankondiging van de opening en van de regeling van den dienst te doen in een door den Baad van Toezicht aan te wijzen dagblad ;
b een door hen geteekenden afdruk of gewaarmerkt afschrift van die aankondiging te zenden aan :
den Minister van Waterstaat;
den Raad van Toezicht;
Gedeputeerde Staten der provinciën en de besturen der gemeenten, door welke de spoorweg loopt;
de Officieren van Justitie bij de Rechtbanken en de Ambtenaren van het Openbaar Ministerie bij de Kantongerechten binnen welker ressort deze gemeenten zijn gelegen.

2. De in het vorige lid bedoelde aankondiging houdt in :
a. den naam en den zetel van de spoorwegonderneming en de namen der bestuurders;
b. het tijdstip, waarop de dienst geopend zal worden ;
c. de dienstregeling van de treinen voor het reizigersvervoer, waarin alle plaatsen worden opgenomen, waar de treinen geregeld stilhouden. Aankondiging van veranderingen.

Art 61.
1. Van veranderingen in een der in art. 60, tweede lid, genoemde punten wordt aankondiging gedaan in een door den Raad Van Toezicht aan te wijzen dagblad, en wordt kennis gegeven aan de in art. 60, eerste lid, sub 6 genoemde autoriteiten.

2. De Baad van Toezicht is bevoegd, indien op andere wijze voor voldoende publicatie wordt gezorgd, van de bepaling van het vorige lid, behalve wat betreft de kennisgeving aan den Minister van Waterstaat ontheffing te verleenen.

3. De in het eerste lid van dit artikel bedoelde aankondiging en kennisgeving geschiedt ten minste acht dagen vóór het in werking treden van eene gewijzigde dienstregeling en overigens zoo spoedig mogelijk.

4. Indien eene wijziging in de dienstregeling is veroorzaakt door verandering van den” dienst van aansluitende middelen van vervoer, en dientengevolge van de wijziging niet overeenkomstig het vorige lid acht dagen te voren aankondiging is gedaan en kennis is gegeven, moet zulks nog zoo spoedig mogelijk en uiterlijk twee dagen na de verandering plaats hebben.

Publicatie van de geldende dienstregeling.

Art 62. Bestuurders zorgen bovendien, dat in elk rijtuig en in elke rijtuigafdeeling, alsmede in of nabij elk wachtlokaal, een afdruk van de geldende dienstregeling, op eene wijze dat hij voor een ieder goed leesbaar is, is opgehangen of aangeplakt.

HOOFDSTUK III.

BEPALINGEN BETREFFENDE DE OPENBAARMAKING VAN DE TARIEVEN.

Aankondiging van nieuwe of gewijzigde tarieven.

Art 63.
1. Van vaststelling of wijziging van tarieven moet ten minste acht dagen vóór het in werking treden van het vastgesteld of gewijzigd tarief aankondiging worden gedaan in een door den Baad van Toezicht aan te wijzen dagblad en kennis worden gegeven aan de in art. 60, eerste lid, sub b genoemde autoriteiten. 2. De Raad van Toezicht ia bevoegd, indien op andere wijze voor voldoende publicatie wordt gezorgd, van de bepaling van het vorige lid, behalve wat betreft de kennisgeving aan den Minister van Waterstaat, ontheffing te verleenen.
Publicatie van de geldende tarieven.

Art 64. Bestuurders van den spoorwegdienst zijn gehouden aan een ieder, die zulks verlangt, een afdruk of een afschrift der op hunnen spoorweg algemeen geldende tarieven kosteloos of tegen betaling te verstrekken.

HOOFDSTUK IV.

BEPALINGEN BETREFFENDE DE BEËEDIGING DER BEAMBTEN.

Wie beëedigd worden.

Art 65.
1. Alle beambten, die in hunne betrekking met het publiek in aanraking komen of wier werkzaamheden in eenig opzicht op de veiligheid van het verkeer van invloed kunnen zijn, worden beëedigd.

2. Bij twijfel, of een beambte moet worden beëedigd, beslist de Raad van Toezicht.

Wijze van beëediging.

Art 66.
1. De eed wordt afgelegd voor den rechter van een der kantons binnen het Rijk.

2. Ieder doet dien op de wijze zijner godsdienstige gezindte als volgt:

„lk zweer (beloof), dat ik alle plichten, welke mij door of krachtens de wet tot regeling van den dienst en het gebruik der spoorwegen, waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd, worden opgelegd, eerlijk en vlijtig zal vervullen.

Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat beloof ik !)”

HOOFDSTUK V.

SLOTBEPALINGEN.

Verklaring van enkele in dit reglement gebezigde uitdrukkingen.

Art 67.
In dit reglement wordt verstaan onder:
motor: het voertuig, waar de bewegende kracht van uitgaat;
machinist: de beambte, belast met de bediening van den motor;
trein : elke motor in dienstvaardigen staat met of zonder andere voertuigen;
rijtuig: elk voertuig, ingericht voor het vervoer van reizigers;
wagen : elk voertuig, ingericht voor het vervoer van bagage, goederen of levende dieren of geheel ingericht als postkantoor;
nacht: de tijd van een half uur na zonsondergang tot een half uur vóór zonsopkomst.
Spoorwegen niet voor het openbaar verkeer opengesteld, of uitsluitend voor het vervoer van goederen bestemd.

Art 68. Voor spoorwegen, welke niet voor het openbaar verkeer zijn opengesteld, zoomede voor die, welke uitsluitend voor het vervoer van goederen bestemd zijn, kan door den Minister van Waterstaat van bepalingen van dit reglement geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing verleend worden.

Overtreding van uitvoeringsvoorschriften.

Art 69. Het niet naleven van krachtens en ter uitvoering van de bepalingen van dit reglement door den Minister van Waterstaat of door den Baad van Toezicht gegeven voorsohriften staat gelijk met overtreding van die bepalingen.
Toepasselijkheid van hel reglement óp bestaande , spoorwegdiensten.

Art 71. Ten aanzien van spoorwegen, welke op 1 Juli 1902 in exploitatie waren, kan door den Minister van Waterstaat voor een door hem te bepalen termijn, welke door hem kan worden verlengd, van bepalingen van dit reglement geheel, ten deele of voorwaardelijk ontheffing worden verleend, mits bestuurders van den spoorwegdienst vóór 1 September 1902 aan den genoemden Minister eene verklaring hebben overgelegd, dat hun dienst zoodanig is ingericht, dat art. 2 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118) daarop van toepassing zal zijn.

Verkorte titel.

Art 72. Dit reglement kan worden aangehaald onder den titel „Tramwegreglement 1902″.
Behoort bij Koninklijk besluit van 31 Juli 1902 (Staatsblad n° 162).
Beroep op den Minister van beslissingen van den ‘Raad van Toezicht.

Art 70.
1. Van beslissingen, door den Baad van Toezicht krachtens art. 6, tweede lid, art. 25, tweede lid, art. 30, tweede lid, art. 37, eerste en tweede lid, art. 38, vierde lid, art. 39, derde en vierde lid en art. 53 van dit reglement genomen, kunnen bestuurders bij den Minister van Waterstaat in beroep komen.

2. Hebben zij dit niet gedaan binnen drie dagen, nadat zij van de beslissing hebben kennis gekregen, zoo zijn zij tot nakoming der beslissing verplicht. ‘

3. Eveneens zijn bestuurders bevoegd de beslissing van den Minister in te roepen, zoo op een verzoek tot het verleenen van eene ontheffing, als bedoeld in art. 11, tweede lid, art. 38, vierde lid, art. 61, tweede lid of art. 63, tweede lid door den Baad van Toezicht afwijzend is beschikt.

_______