HSM locomotief

 

 

Hieronder volgt in haar geheel de nieuwe wet; zooals die door de Tweede Kamer der Staten-generaal in de zitting van 6 Maart 1875, en door de Eerste Kamer in de zitting van 6 April 1875
is aangenomen.

HOOFDSTUK I.
Algemeene bepalingen.
Art. 1.
Ondernemers van eenen spoorwegdienst zijn verantwoor-delijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening van den dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten zij ontstaan.
Art. 2.
Ten aanzien van ondernemers van spoorwegdiensten geldt, hetgeen bij het Wetboek van Koophandel betrekkelijk voerlie¬den , schippers en ondernemers van openbare rijtuigen en vaar¬tuigen is bepaald.
Art. 3.
Ondernemers van spoorwegdiensten zijn niet bevoegd , hunne verantwoordelijkheid voor verlies, vertraagde bezorging of schade aan koopmanschappen en goederen, noch den omvang en duur hunner verplichtingen en den bewijslast door eenig beding van den vrachtbrief of door bizondere dienstreglementen uit te sluiten of te beperken, dan met inachtneming der regels door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur vast te stellen.
Art. 4.
De ondernemers zijn verplicht te gedoogen , dat aan den spoorweg, waarover hun dienst loopt, spoorwegen , door anderen aan te leggen , zich aansluiten , en dat die weg door zoodanige wegen worde doorsneden.
Zoo , ten behoeve der aansluiting of doorsnijding, op den eerst- genoemden spoorweg werken te verrichten zijn , of de dienst moet gestaakt worden , wordt deswege door de ondernemers der aan te leggen spoorwegen
schadeloosstelling verleend.
Indien Wij den aanleg van wegen, kanalen, waterleidingen of andere werken gebieden of toestaan , die den spoorweg doorsnijden of daarmede in aanraking komen , kunnen de ondernemers dit niet beletten , noch uit dien hoofde andere schadevergoeding vorderen, dan teruggave van de vermeerdering der kosten van onderhoud en dienst, die uit den aanleg dier werken mocht voort¬vloeien.
In zoodanig geval zorgt de Minister van Binnenlandsche Zaken, dat zonder kosten voor de ondernemers, alle definitieve of voor- loopige werken worden uitgevoerd , die vereischt worden , om te beletten, dat de exploitatie van den spoorweg gestoord of gestaakt worde.
Art. 5.
De ondernemers zijn insgelijks verplicht te gedoogen , dat de weg, waarover hun dienst loopt en de daartoe behoorende stations, ten behoeve van andere spoorwegdiensten worden gebruikt.
Dit geschiedt krachtens een door Ons daartoe te nemen besluit, tegen schadeloosstelling , door de ondernemers van den spoorweg-dienst, ten wier behoeve het gemeenschappelijke gebruik van den weg of van een station wordt gegund , te voldoen.
Het gemeenschappelijke gebruik van den weg heeft plaats over-eenkomstig een Reglement, door ons, de bestuurders der betrok ken spoorwegdiensten gehoord, vast te stellen.
De bepalingen voor het gebruik van stations tot gemeenschap- pelijken dienst en de uitvoering der daarvoor noodige werken worden door de ondernemers der betrokkene spoorwegdiensten , onder goedkeuring van onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, onderling bij overeenkomst geregeld.
Indien het deswege te houden overleg niet binnen den door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen tijd tot over-eenstemming heeft geleid, worden die bepalingen door Ons, be-stuurders der betrokkene spoorwegondernemingen gehoord , vast-gesteld.
De schadeloosstellingen, in dit en in het vorige artikel be¬doeld, worden , bij gebreke van minnelijke schikking , door den rechter bepaald.
Art. 6.
De bestuurders van eenen spoorwegdienst stellen een Re¬glement voor hunnen dienst vast, en onderwerpen dat aan de goed¬keuring van denr Minister van Binnenlandsche Zaken.
Alvorens dit Reglement goedgekeurd zij , wordt de dienst niet geopend.
Geene verordeningen worden zonder goedkeuring van den Mi-nister van Binnenlandsche Zaken , in het Reglement gebracht , die noodige veranderingen , ook nadat het goedgekeurd is , de ondernemers gehoord , bevelen kan.
Art. 7.
De dienst wordt niet geopend, noch na eene staking, voorzien in art. 8, hervat, dan nadat de Minister van Binnen-landsche Zaken daartoe machtiging heeft verleend.
Alvorens die machtiging wordt verleend, heeft eene opneming van den weg en van de daartoe behoorende werken van Regeeringswege plaats.
Gelijke opneming gaat het in gebruik nemen van nieuwe of herstelde locomotieven , tenders, rijtuigen of wagens vooraf.
Art. 8.
De bestuurders zorgen , in geval van staking van den dienst, voor het vervoer van personen en goederen in de richting van den spoorweg.
De staking wordt voorts door hen zoo spoedig mogelijk alge¬nreen bekend gemaakt, door aankondiging in de Staatscourant en in een dagblad van elke der provinciën , door welke de weg loopt.
Art. 9.
Voor bestuurders van spoorwegdiensten worden gehouden zij, die, hetzij als ondernemers, hetzij namens de ondernemers , het opperbestuur over den dienst uitoefenen.
Minstens één der bestuurders moet zijn Nederlander en ingezeten.

HOOFDSTUK II.
Van het toezicht op de spoorwegdiensten
Art. 10.
Het algemeene toezicht op de spoorwegdiensten wordt naar regelen, overeenkomstig deze wet, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur voor te schrijven, onder den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgeoefend door een raad van toe¬zicht , welks leden door Ons worden benoemd.
Art. 11.
De leden van dien raad en de ambtenaren, onder hen met het dagelijksche toezicht belast, hebben recht op kosteloos vervoer in alle treinen en te allen tijde vrijen toegang tot den spoonveg en de daartoe behoorende werken en gebouwen, de locomotieven , tenders, rijtuigen en wagens , alléén die rijtuigen of gedeelten van rijtuigen uitgezonderd, -welke in de treinen voor autoriteiten en bestuurders van den spoorwegdienst aangewezen of door bizondere personen afgehuurd mochten zijn.
De weningen der beambten en bedienden van den spoorweg zijn onder de in dit artikel bedoelde gebouwen niet begrepen.
Art. 12.
Zij zijn bevoegd , mededeeling te vragen van alle, niet tot het geldelijke beheer betrekkelijke , inlichtingen en opgaven betreffende den spoorwegdienst, en van de daartoe betrek-kelijke plans , teekeningen , bestekken , voorwaarden van aanbe¬steding en overeenkomsten, den dienst of het vervoer betreffende.
Art. 13.
De leden van den raad van toezicht en de ambtenaren, onder hen met het dagelijksche toezicht belast, geven schriltelijk kennis aan de bestuurders van den spoorwegdienst, van hetgeen naar hun oordeel tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van den dienst behoort te worden gedaan. *
Zij roepen , zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven , de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken in.
Die beslissing kan ook door de bestuurders worden ingeroe¬pen , wanneer zij tegen hetgeen hun aanbevolen werd bezwaar hebben.
Bij onmiddellijk gevaar kan de raad van toezicht of de Minister last geven tot onverwijlde voorziening, niettegenstaande het beroep.
Geen eindbeslissing wordt genomen, dan nadat de bestuurders zijn gehoord of hun gelegenheid is gegeven , hunne bezwaren toe te lichten.
Art. 14.
Aan de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders van den dienst voldaan.
Geschiedt dit niet, dan kan de Minister van Binnenlandsche zaken: zoo er nalatigheid bestaat, met opzicht tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg , of van de daartoe behoorende wer-ken en gebouwen, of met opzicht tot de aanvulling van behoeften voor den dienst en van het getal beambten of bedienden , staking van den dienst bevelen.
Zoo die bestaat, met opzicht tot het herstellen of vernieuwen van de voor den spoorwegdienst bestemde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens, het gebruik van zoodanige locomotieven , tenders , rijtuigen of wagens verbieden , en , zoo noodig , beletten.
Art. 15.
Zoo de bestuurders van den spoorwegdienst de, door den Minister van Binnenlandsche zaken bevolene herstellingen of ver-nieuwingen aan den weg of aan de daartoe behoorende werken en gebouwen niet uitvoeren , of niet tot de door hem noodig geachte aanvulling van behoeften voor den dienst of van het getal beambten of bedienden overgaan , kan de Minister die ten koste der ondernemers van den dienst doen tot stand brengen f en zich tot dat einde in het bezit stellen van de ter uitvoering der herstellingen , vernieuwingen of voorzieningen noodige, op of bij den weg voorhandene voorwerpen.
Hetgeen krachtens dit artikel ten koste der ondernemers is uitgegeven , gaat’ boven elke andere schuld der onderneming.
Art. 16.
Vordert de openbare veiligheid dadelijke staking van den dienst, hetzij over den geheelenweg, hetzij over een gedeelte daarvan , dan kan die staking worden bevolen door een van hen, die tot de uitoefening van het toezicht zijn aangewezen.
Dit bevel wordt gegeven door hem , die daartoe, volgens de door Ons voor te schrijven regelen , bevoegd is , en zooveel mo¬gelijk schriftelijk gericht aan de hoofdbeambt^ï van de meest nabij zijnde stations , die daarvan terstond aan alle hoofdbeamb¬ten van de stations langs den weg kennis geven.
Art. 17.
Wegens redenen van staatsbelang kan staking van den dienst door Ons worden bevolen.
Art. 18.
In het geval, bij het vorige artikel bedoeld, is art. 8 niet toepasselijk, en zorgt de Minister van Binnenlandsche zaken, dat zooveel mogelijk worde voorzien in de behoeften van het ver¬keer in de richting van den spoorweg.
Art. 19.
Staking van den dienst in het geval, bij art. 17 bedoeld, wordt in de Staatscourant vermeld , en in de provinciën , door welke de weg loopt, zoo spoedig mogelijk, algemeen bekend gemaakt.
Art. 20.
Een krachtens deze wet gestaakte dienst wordt niet hervat, dan na bekomene toestemming van den Minister van Binnenlandsche zaken.
In het, bij art. 17 bedoelde geval wordt de toestemming door Ons verleend.
Art. 21.
Het voortzetten van den dienst, na bevel tot staking, of het hervatten daarvan zonder de in het vorige artikel bedoelde toestemming, wordt door hen , die tot de uitoefening van het toezicht zijn aangewezen , belet.
Art. 22.
Zij zijn bevoegd locomotieven , tenders , rijtuigen of wagens onverwijld uit eenen trein te doen verwijderen en het vertrek van eenen trein te verbieden , indien de toestand van het materieel of de samenstelling van den trein , naar hun oordeel , voor den trein gevaar kan doen ontstaan.
Art. 23.
Ingeval van oorlog of andere buitengewone omstandigheden kan geheele of gedeeltelijke onbruikbaarmaking van de baan en de daarop aanwezige bruggen , telegraaflijnen en sein- toestellen , door Ons worden bevolen.
Ingeval er onbruikbaarmaking krachtens bedoeld bevel heeft plaats gegrepen j wordt de spoorweg, zoo spoedig als het staats-belang zulks gedoogt, op Ons bevel en op kosten van het rijk in vorigen toestand hersteld.
Art. 24.
Wordt staking van den dienst door Ons voor belangen van ’s lands verdediging bevolen , dan kan door Ons tevens worden bepaald , dat alle locomotieven , tenders , rijtuigen , wagens en ander materieel van den spoorweg verwijderd worden.
De Minister van Oorlog wijst in dit geval de plaats of plaatsen aan , waarheen het materieel moet worden vervoerd.
Art. 25.
De Minister van Binnenlandsche Zaken wijst de punten aan , waar halten of stations op den weg gemaakt moe¬ten worden.
Art. 26.
De uren van vertrek en aankomst, het kleinste getal der dagelijksche treinen en het kleinste getal der rijtuigen van elke klasse dat tot eiken trein behooren moet, worden door den Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald.
Art. 27.
Bij algemeenen maatregel van bestuur worden geregeld :
-de dienst op de stations ,
-het toezicht over de baan en de bediening der seinen ;
-de inrichting van en het toezicht over de locomotieven, tenders,
rijtuigen en wagens;
-de samenstelling der treinen ;
-de snelheid , waarmede de treinen zijn te vervoeren;
-het getal beambten en bedienden , op eiken trein noodig;
-hetgeen in het belang der orde op eiken trein is in acht te
nemen ;
– de voorwaarden voor het vervoer van reizigers en goederen ;
– het afhalen en bestellen der goederen, en het loon daarvoor te genieten ;
– de behandeling der in de rijtuigen of stations achtergelaten voorwerpen en der onafgehaalde of onbestelbare goederen;
– de tijd, waarna die voorwerpen en goederen kunnen verkocht worden, en de wijze , waarop die verkoop zal kunnen geschieden;
– de beëediging van de beambten en bedienden van den spoor¬weg ; en
– hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten en het veilige verkeer over de spoorwegen,
krachtens deze wet, is voor te schrijven.
HOOFDSTUK III.
Van de tarieven en het vervoer der goederen.
Art. 28.
De tarieven voor het vervoer van personen en goederen behoeven de goedkeuring van Onzen Minister van Bin- nenlandsche Zaken.
Zij worden , alvorens in werking te treden , openlijk aange- kondigd , met vermelding der beschikking waarbij zij zijn goed¬gekeurd , en voor een ieder in druk verkrijgbaar gesteld tegen den bij elk tarief te bepalen prijs.
De openlijke aankondigingen , in dit en volgende artikels ge-boden, geschieden op de wijze , door Onzen Minister van Binnen- landsche Zaken te bepalen.
Art. 29.
Verlaging der tarieven kan te allen tijde door Ons worden bevolen.
Zoo ten gevolge der bevolene tariefsverlaging de zuivere winst der ondernemers vermindert, ontvangen zij schadeloosstelling uit ’s Rijks kas.
Het bedrag der te verleenen schadeloosstelling wordt, wanneer van die vermindering blijkt, bij gebreke van minnelijke schikking door den rechter bepaald.
Die schadeloosstelling wordt in geen geval tot hooger bedrag toegekend, dan noodig is, om de zuivere winst van het jaar of de jaren, waarvoor zij gevorderd is , tot acht ten honderd van het
maatschappelijke kapitaal te brengen.
Art. 30.
Wijziging in de tarieven wordt ten minste ééne maand , vóór dat zij in werking treedt, openlijk aangekondigd.
Bij het verleenen van de in art. 28 vermelde goedkeuring kan een kortere termijn worden bepaald.
Art. 31.
De ondernemers zijn verplicht, tegen de vrachtprij¬zen , bij de openlijk aangekondigde tarieven en op de voorwaarden bij de reglementen bepaald , de reizigers en de aangebodene , niet door wettelijke bepalingen uitgeslotene , goederen te vervoe¬ren , zonder verleening van gunst aan bizondere personen , ver- eenigingen , ondernemingen of zedelijke lichamen.
Zij mogen geen bizondere overeenkomsten met een of meer bevrachters tot vervoer naar een lager dan het openlijk aange-kondigde tarief maken.
Hierop worden uitzonderingen toegelaten :
a. voor vervoer van groote hoeveelheden ;
b. bij abonnementen voor vervoer van eene of meer wagen¬ladingen ;
c. voor weldadige doeleinden en voor tentoonstellingen.
Van verlagingen , krachtens litt. a en b verleend , geven de ondernemers onmiddellijk aan Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken kennis.
Deze verlagingen gelden dadelijk voor alle goederen van gelijken aard, op hetzelfde baanvak en onder dezelfde voorwaarden te vervoeren. Zij worden aanstonds door de ondernemers aangekondigd en blijven in stand , gedurende den tijd, bij de overeenkomst bepaald en in de aankondiging vermeld , of bij gemis aan die tijdsbepaling, totdat aan het voorschrift van het 1ste lid van art. 30 voldaan zij.
Art. 32.
De ondernemers der spoorwegdiensten zijn verplicht onder goedkeuring van Onzen Minister van Binnenlandsche zaken, het doorgaande vervoer van reizigers en goederen over de spoor-wegen onder hun beheer , tusschen alle daartoe door den Minister aangewezene stations onderling te regelen, in dier voege dat:
a. voor het vervoer tusschen die stations voor reizigers met hunne bagage doorgaande plaatsbewijzen te verkrijgen zijn ;
b goederenverzendingen kunnen geschieden met doorgaande vrachtbrieven en , zooveel mogelijk , met overgang der wagens.
Bij gemeenten , waar twee of meer stations bestaan , onderling door sporen verbonden , zijn de ondernemers verplicht, tenzij daarvoor eene andere regeling onder goedkeuring van Onzen Minis¬ter van Binnenlandsche Zaken gemaakt worde, reizigers met doorgaande plaatsbewijzen en hunne bagage tijdig vóór het vertrek van den correspondeerenden trein, en de doorgaande goede¬ren , binnen den bij de algemeene of bizondere reglementen te bepalen tijd, van het station van hunnen dienst naar die der an-dere ondernemingen over te brengen.
Zij zijn verplicht rijtuigen, wagens, tenders en locomotieven van andere ondernemingen , waarmede reizigers en goederen voor door¬gaand vervoer worden aangebracht, in hunne stations en op de verbindingsporen toe te laten.
De vrachtprijzen voor die overbrenging van reizigers en goede¬ren worden door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, de ondernemers gehoord, vastgesteld.
Waar en zoolang geene tarieven voor doorgaand vervoer van reizigers en goederen zijn aangekondigd , worden de vrachtprijzen berekend door samenstelling van die der tarieven, voor locaal of voor doorgaand verkeer op de baanvakken der verschillende on¬dernemingen , waarlangs moet worden vervoerd.
Heeft het overleg van de in dit artikel bevolene regeling met de ondernemers der spoorwegdiensten niet binnen den door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken voorgeschreven tijd, tot over¬eenstemming geleid, dan regelt de Minister, na de ondernemingen te hebben gehoord.
Veranderingen der in dit artikel voorgeschrevene regeling kun¬nen , ook nadat zij is goedgekeurd , door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken , zoo noodig de ondernemers gehoord, bevolen worden.

HOOFDSTUK IV.
Van de zorg en liet verkeer over de spoorwegen.

§ 1- Van de zorg voor de spoorwegen.
Art. 33.
Elke spoorweg wordt, op de door Ons te bepalen wijze, afgesloten.
De kosten dier afsluiting worden gedragen door de ondernemers van den over den spoorweg loopenden dienst.
Art. 34.
Zij wier landen of erven door den spoorweg van den gemeenen weg of de gemeene vaart worden gescheiden , hebben over den spoorweg een recht van uitweg.
Met betrekking tot zoodanige uitwegen gelden de artikelen 715 tot en met 718 van het Burgerlijk Wetboek , met uitzondering der verplichting tot schadevergoeding.
Uitweg over den spoorweg kan ook in andere gevallen , voor zoover met de veiligheid van het verkeer bestaanbaar is , bij over¬eenkomst, onder goedkeuring van Onzen Minister van Binnenland- sche Zaken, worden toegestaan.
Art. 35.
De sluiting der hekken langs den spoorweg geschiedt door of van wege de ondernemers van den spoorwegdienst.
Waar de hekken tot afsluiting van uit- of overwegen dienen, geschiedt de sluiting door of van wege hen , die, hetzij als eigenaars, huurders of pachters, of krachtens eenigen anderen titel, bruikers van landen of erven zijnde , genot van die wegen hebben.
Art. 36.
Binnen den afstand van acht meters van eenen spoorweg, en waar die in gebogene richting is aangelegd , langs de binnen¬zijde van den boog, binnen den afstand van twintig meters, wordt geen gebouw , muur , schutting , aarden wal of ander verheven voorwerp opgericht en worden geen boomen of houtgewas ge¬plant of aangelegd.
Art. 37.
Binnen den afstand van zes meters van eenen spoorweg geschiedt geenerlei uitgraving.
Art. 38.
Binnen den afstand van twintig nieters van eenen spoorweg worden geen riet- of stroodaken geplaatst, noch licht ontvlambare stoffen nedergelegd.
Art. 39.
van de bepalingen in de art. 36, 37 en 38 kan door Ons, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den spoorweg kan geschieden , ontheffing worden verleend.
Art. 40.
De afstand in de art. 36, 37 en 38 bedoeld, wordt gemeten van den teen der glooiing van den spoorweg, waar deze opgehoogd , en van de bovenlijn zijner glooiing, waar hij in¬gegraven is.
Art. 41.
Hetgeen in strijd met de art. 36, 37 en 38 is op¬gericht , gegraven , geplaatst of nedergelegd , kan onverminderd de vervolging voor den strafrechter, ten koste der overtreders door de bestuurders van den spoorwegdienst worden weggenomen of gedicht.
Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dat niet, dan nadat de belanghebbende schriftelijk is gewaarschuwd.

§ 2. Van het verkeer over de spoorwegen.
Art. 42.
Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer belemmeren kan , neder te leggen.
Art. 43.
Het is aan elk , wien het uit den aard zijner betrekking niet vrij staat, verboden , buiten toestemming van de bestuurders van den dienst, of van hem, wien dit door de bestuur¬ders is opgedragen , langs of op den spoorweg te loopen of te rijden. ,
Art. 44.
Het is verboden, buiten de toestemming in het vorige artikel bedoeld , paarden , vee of andere dieren langs of op den spoorweg te drijven of te laten loopen.
HOOFDSTUK V
Van het beschikken over de spoorwegen in het belang van ’sRijks dienst.
Art. 45.
Vervoer in het belang van ’s Rijks dienst van krijgsvolk , paarden
en oorlogstuig over de spoorwegen , heeft tegen de helft van den
vrachtprijs plaats.
Voor krijgsvolk worden niet gehouden officieren van de land¬macht, zonder troepen reizende, zeeofficieren en zeelieden.
Art. 46.
Vervoer van in dienst zijnde beambten der politie , en onderofficieren of manschappen der maréchaussée heeft, op vertoon van een reisorder, kosteloos plaats in rijtuigen, voor het gewone vervoer van reizigers bestemd.
Vervoer van personen , onder geleide van het openbare gezag reizende, heeft ook kosteloos plaats in wagens, daarvoor door de Regeering goedgekeurd, of van regeeringswege beschikbaar ge¬steld.
Art. 47.
Vervoer van brievenmalen, van de rijtuigen der post¬administratie, welke tot vervoerbare postkantoren zijn ingericht, en van de ambtenaren , in die rijtuigen dienst doende , of met het overbrengen der brievenmalen in de gewone rijtuigen van den spoorweg belast, heeft kosteloos plaats.
Art. 48.
De gebouwen , noodig , om op de tot den spoorweg behoorende gronden te kunnen doen, hetgeen voor de invordering der rechten van in-, uit- en doorvoer wordt vereischt, en de grond , noodig , om op den spoorweg bureaux en toestellen van den Rijkstelegraaf te kunnen plaatsen, worden kosteloos ver¬strekt. De met de behandeling dezer zaken belaste beambten wrorden, wanneer zij in dienst zijn, kosteloos vervoerd.

Art. 49.
Elke spoorweg , welke gedurende twintig jaren door de ondernemers van eenen spoorwegdienst is gebruikt, kan van Rijks¬wege worden genaast. De naasting geschiedt tegen den prijs , die aldus wordt gevonden :
Men berekent de zuivere inkomsten van de zeven laatste ja¬ren, trekt daarvan de twee ongunstigste jaren af, en neemt het gemiddelde bedrag der na de aftrekking overblijvende vijf jaren, brengt de alzoo verkregene som, door die, met twintig te verme¬nigvuldigen , tot kapitaal en voegt daarbij eene premie van vijf¬tien ten honderd.
Van het voornemen, om den spoorweg te naasten , wordt ten minste één jaar te voren aan de bestuurders van den dienst kennis gegeven.
Art. 50.
Het geheele of gedeeltelijke gebruik van eiken spoorweg en van het aan eene spoorwegonderneming toebehoorende materieel, kan te allen tijde door Ons , in het belang van ’s Rijks dienst, tegen schadeloosstelling worden gevorderd.
Ingeval oorlog of andere buitengewone omstandigheden dat gebruik voor ’s Rijks dienst in het belang van’s lands verdediging noodig maken, kan bedoelde vordering, krachtens machtiging van Ons, geschieden door den Minister van Oorlog of door een en bevelhebber van het leger.
De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schik¬king , door den rechter bepaald.
Art. 51
Regelen omtrent de aanwending van spoorwegen en spoorwegmaterieel in de gevallen , bedoeld in art. 24 en de 2de al. van art. 50, worden door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur gesteld.
Art. 52.
Kan in het geval , bij art. 50 bedoeld , het vervoer van reizigers of goederen niet langs den spoorweg plaats treffen, dan wordt in dat vervoer voorzien op de bij art. 18 bepaalde wijze.
HOOFDSTUK VI.
Strafbepalingen.
Art. 53.
De bestuurders van eenen spoorwegdienst worden gestraft:
zoo zij de voorwaarden , waarop de vergunning tot uitoefening van den dienst is verleend , niet naleven of daarmede in strijd handelen of doen handelen, met eene boete van honderd tot vijf duizend gulden ;
zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven, of daarmede in strijd handelen , of doen handelen , voor zoover daaromtrent niet in het bizonder is voorzien, met eene boete van honderd tot vijf duizend gulden;
zoo zij den dienst op den spoorweg openen’, alvorens het dienst¬reglement , in art. 6 bedoeld , is goedgekeurd , of die hetzij openen , hetzij hervatten , alvorens de in het le lid van art. 7 bedoelde machtiging verleend is, met eene boete van duizend tot vijf duizend gulden, bij de openstelling of hervatting van den dienst, en van honderd tot duizend gulden voor eiken dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd ;
zoo zij den dienst voortzetten, na bevel tot staking, of dien hervatten , zonder de toestemming , in art. 20 bedoeld, met eene boete van duizend tot vijf duizend gulden, bij de voortzetting of hervatting van den dienst, en van honderd tot duizend gulden voor eiken dag , dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd ;
zoo zij nieuwe of herstelde locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens in gebruik nemen, alvorens zij daartoe , ten gevolge der opneming in het laatste lid van art. 7 voorgeschreven , zijn ge¬machtigd , met eene boete van honderd tot duizend gulden voor elke zoodanige locomotief, tender , rijtuig of wagen ;
zoo zij in gebreke blijven , te voldoen aan de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken , in art. 14 bedoeld , of aan den in de voorlaatste alinea van art. 13 bedoelden last, met eene boete van honderd tot vijf honderd gulden voor eiken dag verzuim ;
zoo zij het in art. 5 bedoelde reglement op het gemeenschap¬pelijke gebruik van een en spoorweg, de aldaar en in art. 32 be¬doelde regeling , voor het gemeenschappelijk gebruik van stations en voor het doorgaande vervoer van reizigers en goederen , of een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van inwendig bestuur niet naleven , of daarmede in strijd handelen of doen handelen , met eene boete van vijftig tot vijf duizend gulden.
Art. 54.
Elke bestuurder van eenen spoorwegdienst is voorde over¬tredingen, in het voorgaande artikel omschreven, strafbaar, tenïij hij bewijze , het zijne te hebben gedaan , om de wet te doen na¬leven.
De boete, in het voorlaatste lid van art. 53 bedreigd, kan niet hooger gaan dan tot vijf duizend gulden.
De aldaar bedoelde tijd houdt op te loopen , zoodra art. 15 wordt toegepast.
Art. 55.
Indien een bestuur het misdrijf begaat, in art. GO dezer wet bedoeld, wordt hem bij het vonnis van veroordeeling tevens de bevoegdheid tot het bekleeden van eenige betrekking bij eenen spoorweg op Nederlandsch grondgebied voor altijd ontzegd.
Indien hij het misdrijf begaat, in art. 61 dezer wet bedoeld, van hem bij het vonnis van veroordeeling tevens deze bevoegd¬heid ontzegd worden.
Die in weerwil van zoodanige ontzegging, eene betrekking bij eenen spoorweg aanvaardt of na waarschuwing blijft waarnemen, wordt gestraft met eene boete van honderd tot twee duizend gulden , of met gevangenisstraf van één tot drie maanden , te zamen of afzonderlijk.
Art. 56.
De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft:
zoo zij weigeren, aan de bepalingen van de art. 11 en 12 te voldoen of den toegang tot den spoorw’eg en tot de daartoe behoorende werken en gebouwen beletten aan personen, wien die door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, krachtens art. 71, is verleend , met eene boete van tien tot drie honderd gulden ;
zoo zij het in art. 5 bedoelde reglement op het gemeenschappelijke gebruik van eenen spoorweg, de aldaar en in art. 32 bedoelde regeling voor het gemeenschappelijke gebruik van stations en voor het doorgaande vervoer van reizigers en goederen, een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur overtreden of niet voldoen aan een krachtens art. 22 ge¬geven bevel of verbod, met eene boete van één tot duizend gulden ;
zoo zij de bepalingen van deze wet niet nakomen of daar¬mede in strijd handelen of doen handelen , voor zoover daaromtrent niet in het bizonder is voorzien, met eene boete van tien tot duizend gulden.
Zij zijn niet strafbaar, zoo hunne weigering of overtreding een gevolg is van den last, door de bestuurders van den spoorwegdienst gegeven.
Art. 57.
Indien een beambte of bediende het misdrijf begaat, in art. 60 dezer wet bedoeld, wordt hem , bij het vonnis van veroordeeling, tevens de bevoegdheid tot het bekleeden van eenige betrekking bij eenen spoorweg op Nederlandsch grondgebied voor altijd ontzegd.
Indien hij het misdrijf begaat, in art. 61 bedoeld, kan hem bij het vonnis van veroordeeling tevens deze bevoegdheid ontzegd worden.
Die , in weerwil van zoodanige ontzegging, eene betrekking bij een spoorweg aanvaardt of, na waarschuwing , blijft waar¬nemen, wordt gestraft met een boete van vijftig tot vijfhonderd gulden , of met gevangenis van een tot drie maanden, te zamen of afzonderlijk.
Art. 58.
Overtreding van de art. 36 , 37 en 38 , of van de voorwaarden , gesteld bij Onze besluiten , naar aanleiding van art. 39 genomen , wordt gestraft met eene boete van tien tot honderd gulden.
De overtreders worden daarenboven , op de vordering van het openbaar ministerie , veroordeeld om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn , de zaken in den vorigen stand te herstellen.
Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak, wordt, na verloop van den gestelden termijn , het vonnis van Regeeringswege ten koste van den overtreder ten uitvoer gelegd door een amb¬tenaar of ambtenaren, met het toezicht op den spoorwegdienst belast.
De kosten worden op den overtreder verhaald , door den ont¬vanger der registratie, naar een staat, opgemaakt door den ambtenaar, met de uitvoering van het vonnis belast.
Art. 59.
Opzettelijke beschadiging of vernieling, geheel of ten deele , van de tot den dienst op den spoorweg behoorende roerende goederen wordt gestraft met eene boete van één tot duizend gulden , of met gevangenis van één dag tot twee jaren, te zamen of afzonderlijk.
Art. 60.
Die opzettelijk gevaar doet ontstaan voor eenen trein, wordt gestraft met tuchthuis van vijf tot tien jaren ;
zoo verwonding of ander lichamelijk letsel van iemand daar¬van het gevolg is , met tuchthuis van vijf tot vijftien jaren ;
zoo verlies van menschenleven daarvan het gevolg is, met tuchthuis van vijf tot twintig jaren ;
zoo de daad als moord is te beschouwen , met de straf daar¬tegen bij de algemeene wetgeving bedreigd.
Art. 61.
Die zonder opzet gevaar, dat hij had kunnen en moeten voorzien, doet ontstaan voor eenen trein , wordt gestraft met gevangenis van drie maanden tot een jaar;
zoo -verwonding of ander lichamelijk letsel van iemand daar¬van het gevolg is, met gevangenis van drie maanden tot twee jaren ;
zoo verlies van menschenleven daarvan het gevolg is, met ge¬vangenis van drie maanden tot drie jaren.
Art. 62.
Aantasting van of gewelddadige en feitelijke we¬derstand tegen de bestuurders, de beambten of de bedienden van den spoorweg, in de uitoefening hunner bediening gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de art. 2ü9 tot en met 218 van het wetboek van strafrecht.
Art. 63.
Overtreding van de art. 42 , 43 en 44 wordt gestraft met eene boete van één tot honderd gulden , of met ge¬vangenis van één dag tot eene maand, te zamen of afzonderlijk.
Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen , in het tweede lid van art. 35 bedoeld , of die hen volgens de wet vertegenwoordigen , wanneer zij de sluiting der hekken, ge¬plaatst aan uit- of overwegen , waarvan zij genot hebben , ver¬zuimen.
Zijn door hen personen met de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim strafschuldig.
Art. 64.
De reizigers, die de bepalingen van eenen algemeenen maatregel van inwendig bestuur in art. 27 bedoeld, overtreden, worden gestraft met eene boete van één tot vijf en zeventig gul¬den, of met gevangenis van één dag tot ééne maand, te zamen of afzonderlijk.
Yan die overtreding wordt door den kantonrechter kennis ge¬nomen.
De beambten en de bedienden van den spoorweg kunnen de reizigers , die zich aan die overtreding schuldig maken , uit de rijtuigen weren of verwijderen.
Art. 65.
Art. 463 van het wetboek van strafrecht en de art. 9 en 20 van de wet van 29 Juni 1854 (Stbl. no. 102) zijn van toe¬passing op de overtredingen van deze wet, van het in art. 5 bedoelde reglement op het gemeenschappelijke gebruik van een spoorweg, van de daar vermelde regeling van het gemeenschap-pelijke gebruik van stations, van de in art. 32 bedoelde regeling voor het doorgaande vervoer van reizigers en goederen en van eenen bij art. 27 bedoelden algeraeenen maatregel van bestuur.
OVERGANGSBEPALINGEN.
Art. 66.
De bepalingen van deze •wet zijn, behoudens de bepaling van het 2de lid van dit artikel , ook op de vóór 21 Augustus 1859 reeds bestaande spoorwegdiensten van toepassing.
De artikelen 25 , 29, 33 , 45 tot en met 49 kunnen, voor zoover dit nog niet moeht zijn geschied , door Ons op de toen bestaande spoorwegdiensten toepasselijk worden verklaard.
Zoo hieruit voor de ondernemers der diensten schade ontstaat, niet voortvloeiende uit de verplichtingen , waaraan zij zich bij het verkrijgen der vergunning tot het uitoefenen van hunnen dienst hebben onderworpen , of waarin zij later bij opzettelijke bedingen hebben toegestemd, ontvangen zij schadeloosstelling uit ’s Rijks kas.
Die schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking , door den rechter bepaald.
Van het tweede lid van art. 9 kan door Ons dispensatie worden verleend.
Art. 67.
De bestuurders der bestaande spoorwegdiensten on¬derwerpen het dienstreglement, volgens art. 6 , de tarieven voor het vervoer van personen en goederen , en de regeling in art. 32 bevolen , voor het eerst of op nieuw aan de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche zaken , zes maanden na afkondiging van den algemeenen maatregel van bestuur volgens art. 27.
Art. 68.
Hetgeen binnen de afstanden, in de art. 36, 37 en 38 bepaald , langs de bestaande spoorwegen is opgericht, gegraven, geplaatst of nedergelegd , wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorafgaande schadeloosstelling van Regeerings- wege weggenomen of gedicht.
De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schik¬king , door den rechter bepaald.

SLOTBEPALINGEN.
Art. 69.
Deze wet is van toepassing op den dienst en het ge¬bruik der staatsspoorwegen, zonder evenwel verandering te brengen in de bepalingen der wet van 3 Juli 1862 (Stbl. n. 100) en in die van de concessie, bij de wetten van 3 Juli 1863 (Stbl. n. 101) en van 7 Augustus 1865 (Stbl. n. 99) bekrachtigd.
Art. 70.
Wegen, door het Rijk of door eene spoorwegonder¬neming tijdens het in werking treden dezer wet aangelegd tot toegang naar een station, worden, voor zoover dit nog niet mocht zijn geschied, aan de gemeenten, op welker grondgebied zij liggen, in behoorlijken staat overgedragen; daarna komt het onderhoud en de verlichting te haren laste.
Ligt een toegangsweg op het grondgebied van meer dan ééne gemeente , dan wordt door Ons , den Raad van State gehoord , beslist, aan welke gemeente die weg zal worden overgedragen.
Onderhoud van wegen, aan het Rijk, aan gemeenten of anderen toebehoorende, vóór den aanleg van een spoorweg aangelegd, die tot toegang naar een station van den spoorweg dienen, blijft ten laste van dengene , die daarmede vroeger was belast.
Volgens voorschriften, door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur te geven, wordt een ligger opgemaakt en bij¬gehouden van de toegangswegen tot stations, op welken ligger de onderhoudplichtigen vermeld zijn.
Art. 71.
Alle ambtenaren, belast met het opsporen van mis¬drijven , hebben , evenals de beambten van politie , vrijen toe¬gang tot den spoorweg en tot de daartoe behoorende gronden en gebouwen, die tot gebruik van reizigers bestemd zijn.
Onze Minister van Binnenlandsche zaken kan vrijen toegang tot den spoorweg en tot de daartoe behoorende werken en ge¬bouwen verleenen aan Rijks-beambten en aan leden en beambten van openbare besturen , voor de uitoefening hunner betrekking.
Het tweede lid van art. 11 is op die vergunningen toepasselijk.
Art. 72.
Tot het opsporen der overtredingen van deze wet, van een krachtens art. 27 uitgevaardigden algemeenen maatregel van bestuur, van het in art. 5 bedoelde reglement en van dealdaar en in’art. 32 bedoelde regeling zijn, behalve de bij art. 11 van het Wetboek van Strafvordering aangewezene ambtenaren, de personen , tot uitoefening van het toezicht op de spoorweg-diensten, door Ons aangewezen, bevoegd.
Ook zijn daartoe bevoegd de beëedigde beambten en bedienden van den spoorweg over de geheele uitgestrektheid van den weg, waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd meters aan beide zijden van dien weg.
Art. 437 van het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de processen-verbaal, door’ hen opgemaakt.
Art. 73. De wet van 21 Augustus 1859 (Stbl. n. 98) wordt ingetrokken.
Art. 74. Deze wet treedt in werking op een door Ons te bepalen tijdstip.
_____