Sneltrein HSIJM 1

WET van den 21 Augustus 1859 (Stbl. No 98), houdende bepalingen omtrent het gebruik der spoorwegen.

 

WIJ WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, enz., enz., enz.

 

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut 1 doen te weten :
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodig is, omtrent de spoorwegdiensten en het gebruik der spoorwegen wettelyke bepalingen vast te stellen,
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

HOOFDSTUK I.

Algemeene bepalingen.

Art. 1. De ondernemers eener spoorwegdienst zijn verantwoordelijk voor de schade, door personen of goederen bij de uitoefening der dienst geleden, ten ware de schade buiten hunne schuld of die hunner beambten of bedienden zij ontstaan.
Art. 2. Ten aanzien van die ondernemers geldt hetgeen bg het Wetboek van Koophandel betrekkelijk voerlieden, schippers en ondernemers van openbare rijtuigen en vaartuigen is bepaald.
Art. 3. De ondernemers zijn verpligt te gedoogen, dat aan den spoorweg, waarover hunne dienst loopt, spoorwegen, door anderen aan te leggen, zich aan¬sluiten, en dat die weg door zoodanige wegen worde doorsneden.
Zoo, ten behoeve der aansluiting of doorsnijding, op den eerstgenoemden spoorweg werken te verrigten zijn, of de dienst moet worden gestaakt, wordt deswege door de ondernemers der aan te leggen spoorwegen schadeloosstelling verleend.
Art. 4. De ondernemers zijn insgelijks verpligt te gedoogen, dat de weg, waarover hunne dienst loopt, ten behoeve van andere spoorwegdiensten worde gebruikt.
Dit geschiedt krachtens een door ons Ons daartoe te nemen besluit, tegen schadeloosstelling, door de ondernemers der spoorwegdienst, ten wier behoeve het gemeenschappelijk gebruik van den weg wordt gegund, te voldoen.
De schadeloosstelling, in dit en in het vorig artikel bedoeld, wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.
Het gemeenschappelijk gebruik van den weg heeft plaats overeenkomstig een reglement, door Ons, de bestuurders der betrokken spoorwegdiensten gehoord, vast te stellen.
Art. 5. De bestuurders eener spoorwegdienst stellen een reglement voor hunne dienst vast en onderwerpen dat aan de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Alvorens dit reglement is goedgekeurd, wordt de dienst niet geopend.
Geene veranderingen worden zonder goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken in het reglement gebragt.
Art. 6. De dienst wordt niet geopend, noch na eene staking, voorzien in art. 7, hervat, dan nadat de Minister van Binnenlandsche Zaken daartoe magtiging heeft verleend.
Alvorens die magtiging wordt verleend, heeft eene opneming van den weg en van de daartoe behoorende werken van Regeringswege plaats.
Gelijke opneming gaat het in gebruik nemen van nieuwe of herstelde rij- of voertuigen vooraf.
Art. 7. De bestuurders zorgen, ingeval van staking der dienst volgens de artt. 13 en 15, of wanneer zij zelven tot staking besluiten, voor het vervoer van per¬sonen en goederen in de rigting van den spoorweg.
De staking wordt voorts door ben zoo spoedig mogelijk algemeen bekend ge¬maakt door aankondiging in de Staatscourant en in een dagblad van elke der provinciën, door welke de weg loopt.
Art. 8. Voor bestuurders van spoorwegdiensten worden gehouden zij, die, hetzij als ondernemers, hetzij namens de ondernemers, het opperbestuur over de dienst uitoefenen.

 

HOOFDSTUK II.

Van het toezigt op de spoorwegdiensten.

Art. 9. Het algemeen toezigt op de spoorwegdiensten wordt, naar regelen, overeenkomstig deze wet door Ons bij algemeenen maatregel van inwendig be¬stuur voor te schrijven, onder den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgeoe¬fend door een raad van toezigt, welks leden door Ons worden benoemd.
Art. 10. De leden van dien raad en de ambtenaren, onder hem met het dage- lijksch toezigt belast, hebben ten allen tijde vrijen toegang tot den spoorweg en de daartoe behoorende werken en gebouwen.
Zij treden echter de tot woning der beambten en bedienden van den spoorweg bestemde gebouwen niet binnen, dan met toestemming der bewoners.
Art. 11. Zij zijn bevoegd alle, door hen noodig geachte, niet tot het geldelijk beheer betrekkelgke, inlichtingen en opgaven betreffende de spoorwegdienst, en mededeeling der daartoe betrekkelijke plans, teekeningen, bestekken en voor- waarden van aanbesteding te vragen.
De bestuurders der spoorwegdienst, hunne beambten en bedienden voldoen, zooveel elk aangaat, terstond aan die aanvraag.
Art. 12. Zij, die tot de uitoefening van het toezigt zijn aangewezen, geven schriftelijk kennis aan de bestuurders der spoorwegdienst van hetgeen naar hun oordeel tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de dienst behoort te worden gedaan.
Zij roepen, zoo de bestuurders daaraan geen behoorlijk gevolg geven, de be¬slissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken in.
Die beslissing kan ook door de bestuurders worden ingeroepen, wanneer zij tegen het hun aanbevolen werk bezwaar hebben.
Art. 13. Aan de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken wordt binnen den daarbij te stellen tijd door de bestuurders der dienst voldaan.
Geschiedt dit niet, dan kan de Minister van Binnenlandsche Zaken :
zoo er nalatigheid bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van den spoorweg of van de daartoe behoorende werken en gebouwen, of met opzigt tot de aanvulling van het getal beambten of bedienden, staking van de dienst bevelen;
zoo die bestaat met opzigt tot het herstellen of vernieuwen van de voor de spoorwegdienst bestemde rij- of voertuigen, het gebruik van zoodanige rij- of voertuigen verbieden, en, zoo noodig, beletten.
Art. 14. Zoo de bestuurders der spoorwegdienst de door den Minister van Rinnenlandsche Zaken noodig verklaarde herstellingen of vernieuwingen aan den weg of aan de daartoe behoorende werken en gebouwen niet uitvoeren, of niet tot de door den Minister van Binnenlandsche Zaken noodig geachte aanvulling van het getal beambten of bedienden overgaan, kan de Minister die ten koste der ondernemers doen tot stand brengen.
Hij kan zich tot dat einde in het bezit stellen van de ter uitvoering der her¬stellingen of vernieuwingen noodige, op of bij den weg voorhanden voorwerpen.
Hetgeen, krachtens dit artikel, ten koste der ondernemers is uitgegeven, gaat boven elke andere schuld der onderneming.
Art. 15. Vordert de openbare veiligheid dadelijke staking van de dienst, hetzij over den geheelen weg, hetzij over een gedeelte daarvan, dan kan die staking worden bevolen door een van hen, die tot de uitoefening van het toe- zigt zijn aangewezen.
Dit bevel wordt gegeven door hem, die daartoe, volgens de door Ons te bepa¬len regelen, bevoegd is, en zooveel mogelijk schriftelgk gerigt aan de hoofd¬beambten van de meest nabij zijnde stations, die daarvan terstond aan alle hoofdbeambten van de stations langs den weg kennis geven.
Art. 16. Wegens redenen van staatsbelang kan staking van de dienst door Ons worden bevolen.
Art. 17. In het geval, bij het vorige artikel bedoeld, zorgt de Minister van Binnenlandsche Zaken, dat zooveel mogelijk worde voorzien in de behoeften van het verkeer in de rigting van den spoorweg.
Art. 18. Staking der dienst in het geval, bij art. 16 bedoeld, wordt in de Staatscourant vermeld, en in de provinciën, door welke de weg loopt, zoo spoe¬dig mogelijk, algemeen bekend gemaakt.
Art. 19. Eene, krachtens deze wet, gestaakte dienst wordt niet hervat dan na bekomen toestemming van den Minister van Binnenlandsche Zaken.
In het art. 16 bedoeld geval wordt de toestemming door Ons verleend.
Art. 20. Het voortzetten van de dienst na bevel tot staking, of het hervatten daarvan zonder de in het vorig artikel bedoelde toestemming, wordt door hen, die tot de uitoefening van het toezigt zijn aangewezen, belet.
Art. 21. De Minister van Binnenlandschc Zaken wijst de punten aan, waar halten of stations op den weg gemaakt moeten worden.
Art. 22. De uren van vertrek en aankomst, het kleinst getal der dagelijksche treinen en het kleinst getal der rijtuigen van elke klasse, dat tot eiken trein behooren moet, worden door den Minister van Binnenlandsche Zaken bepaald.
Art. 23. De tarieven voor het vervoer van personen en goederen behoeven Onze goedkeuring.
Verlaging der tarieven kan ten allen tijde door Ons worden bevolen.
Zoo door de verlaging de zuivere winst der ondernemers beneden de 8 ten honderd daalt, ontvangen zij schadeloosstelling uit s Rijks kas.
Die schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.
Art. 24. Een algemeene maatregel van inwendig bestuur regelt:
1. de dienst op de stations;
2. het toezigt over de baan en de bediening der seinen;
3. de inrigting van en het toezigt over de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens;
4. de zamenstelling der treinen;
5. de snelheid waarmede de treinen zijn te vervoeren;
6. het getal beambten en bedienden, op eiken trein noodig;
7. hetgeen, in het belang der orde op eiken trein is in acht te nemen;
8. de bestelling der vrachtgoederen en het loon daarvoor, door de bedienden van den.spoorweg te genieten;
9. de behandeling der in de rijtuigen of stations achtergelaten voorwerpen en der onafgehaalde vrachtgoederen;
10. de beëedigiug van de beambten en bedienden van den spoorweg;
11. en bepaalt hetgeen verder ter verzekering van de behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten en het veilig verkeer over de spoorwegen, krachtens deze wet is voor te schrijven.

 

HOOFDSTUK III.

Van de zorg voor en het verkeer over de spoorwegen.

§ 1. Van de zorg voor de spoorwegen.
Art. 25. Elke spoorweg wordt over zijne geheele lengte afgesloten op de door Ons te bepalen wijze.
De kosten dier afsluiting worden gedragen door de ondernemers der over den spoorweg loopende dienst.
Art. 26. Zij, wier landen ol’ erven door den spoorweg van den gemeenen weg of de geinecne vaart worden gescheiden, hebben over den spoorweg een regt van uitweg.
Met betrekking tot zoodanige uitwegen gelden de artt. 715 tot en met 718 van
het Burgerlijk Wetboek, met uitzondering der verpligting tot schadevergoeding.
Art. 27. De sluiting der hekken langs den spoorweg geschiedt door of van wcge de ondernemers der spoorwegdienst, doch waar die hekken tot afsluiting dienen van uitwegen, door of van wege hen, die het regt van uitweg bezitten.
Art. 28. Binnen den afstand van acht el van een spoorweg wordt geen gebouw opgerigt, noch eenige muur of schutting.
Art. 29. Van de bepaling van art. 28 kan door Ons, waar het zonder nadeel voor de openbare veiligheid en voor den spoorweg kan geschieden, ontheffing worden verleend.
Art. 30. Binnen den afstand van zes el van een spoorweg geschiedt, zonder Onze vergunning, geenerlei uitgraving.
Art. 31. Binnen den afstand van twintig el van een spoorweg worden geene riet- of stroodaken geplaatst, noch andere ligt ontvlambare stoffen nedergelegd.
Art. 32. De afstand in de artt. 28, 30 en 31 bedoeld, wordt gemeten van den* teen der glooijing van den spoorweg waar deze opgehoogd, en van de bovenlijn zijner glooijing, waar hij ingegraven is.
Art. 33. Hetgeen in strijd met de artt. 28, 30 en 31 is opgerigt, gegraven, geplaatst of nedergelegd, kan, onverminderd de vervolging voor den strafregter, ten koste des overtreders worden weggenomen of gedigt.
Spoedeischende gevallen uitgezonderd, geschiedt dit niet dan nadat de belang¬hebbende schriftelijk is gewaarschuwd.
§ 2. Van het verkeer over de spoorwegen.
Art. 34. Het is verboden op de spoorwegen eenig voorwerp, dat het verkeer belemmeren kan, neder te leggen.
Art. 35. Het is aan elk, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrijstaat, verboden, buiten toestemming van de bestuurders der dienst, of van hem wien dit door de bestuurders is opgedragen, langs den spoorweg te loopen of te rijden.
Art. 36. Het is verboden, buiten de toestemming in het vorige artikel bedoeld, paarden, vee of andere dieren langs den spoorweg te drijven of te laten loopen.

 

HOOFDSTUK IV.

Van hel beschikken over de spoorwegen in het belang van ’s Rijks dienst.

Art. 37. Vervoer in het belang van ’s Bijks dienst van krijgsvolk en oorlogs¬tuig over de spoorwegen heeft tegen de helft van den vrachtprijs plaats,
Voor krijgsvolk worden niet gehouden officieren van de landmagt, zonder troe¬pen reizende, zee-officieren en zeelieden.
Art. 38. Vervoer van in dienst zijnde beambten der policie en onderofficieren of manschappen der maréchaussée, heeft, op vertoon van eene reisorder, koste-loos plaats in rijtuigen, voor het gewoon vervoer van reizigers bestemd.
Vervoer van personen, onder geleide van hel openbaar gezag reizende, heeft ook kosteloos plaats in wagens, daarvoor door de Regering goedgekeurd of van Regeringswege beschikbaar gesteld.
Art. 39. Vervoer van brievenmalen, van de rijtuigen der postadministratie, welke tot vervoerbare postkantoren zijn ingerigt, en van de ambtenaren, in die rijtuigen dienst doende, of met het overbrengen der brievenmalen in de gewone rijtuigen van den spoorweg belast, heeft kosteloos plaats.
Art. 40. De gebouwen, noodig om op de tot den spoorweg behoorende gron¬den te kunnen doen hetgeen voor de invordering der regten van in-, uit- en doorvoer wordt vereischt, en de grond, noodig om op den spoorweg bureaux en toestellen van den Rijkstelegraaf te kunnen plaatsen, worden kosteloos verstrekt. De met de behandeling dezer zaken belaste beambten worden, wanneer zij in dienst zijn, kosteloos vervoerd.
Art. 4f. Elke spoorweg, welke gedurende twintig jaren door de ondernemers eener spoorwegdienst is gebruikt, kan van Rijkswege worden genaast. De naas¬ting geschiedt tegen den prijs, die aldus wordt gevonden :
Men berekent de zuivere inkomsten van de zeven laatste jaren, trekt daarvan de twee ongunstigste jaren af, en neemt het gemiddeld bedrag der na de aftrek¬king overblijvende vijf jaren, brengt de alzoo verkregen som door die met twin¬tig te vermenigvuldigen tot kapitaal en voegt daarbij eene premie van vijftien ten honderd.
Van het voornemen om den spoorweg te naasten wordt ten minste één jaar te voren aan de bestuurders der dienst kennis gegeven.
Art. 42. Het geheel of gedeeltelijk gebruik van eiken spoorweg kan ten allen tijde door ons, in het belang van s Rijks dienst, tegen schadeloosstelling worden gevorderd.
Die schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.
Art. 43. Kan in het geval, bij het vorige artikel bedoeld, het vervoer van rei¬zigers of goederen niet langs den spoorweg plaats hebben, dan wordt in dat ver¬voer voorzien op de bij art. 17 bepaalde wyze.

 

HOOFDSTUK V.

Strafbepalingen.

Art. 44. De bestuurders eeuer spoorwegdienst worden gestraft :
1. zoo zij de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend, niet naleven of daarmede in strijd handelen, met eene boete van honderd tot vijf duizend gulden ;
2. zoo zij de bepalingen van deze wet niet naleven of daarmede in strijd han¬delen of doen handelen, voor zoover daaromtrent niet in het bijzonder is voor¬zien, met eene boete van honderd tot vijf duizend gulden ;
3. zoo zij de dienst op den spoorweg openen alvorens het dienstreglement, in art. 5 bedoeld, is goedgekeurd, of die hetzij openen, hetzij hervatten, alvorens de in het 1ste lid van art. 6 bedoelde magtiging verleend is, met eene boete van duizend tot vijf duizend gulden bij de openstelling of hervatting van de dienst, en van honderd tot duizend gulden voor eiken dag, dien de geopende of hervatte dienst heeft geduurd;
4. zoo zij de dienst voorzetten na bevel tot staking, of die hervatten zonder de toestemming, in art. 19 bedoeld, met eene boete van duizend tot vijf duizend gulden bij de voortzetting of hervatting van de dienst, en van honderd tot dui¬zend gulden voor eiken dag, dien de voortzetting of hervatting heeft geduurd;
5. zoo zij nieuwe of herstelde rij- of voertuigen in gebruik nemen, alvorens zij daartoe, ten gevolge der opneming in het laatste lid van art. 6 voorgeschre¬ven , zijn gemagtigd, met eene boete van honderd tot duizend gulden voor elk zoodanig rij- of voertuig;
6. zoo zij in gebreke blijven te voldoen aan de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken, in art. 13 bedoeld, met eene boete van honderd tot vijf honderd gulden voor elkeu dag verzuim.
7. zoo zij het in art. 4 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg of den bij art. 24 bedoelden algemeenen maatregel van inwen¬dig bestuur niet naleven of daarmede in strijd handelen, of doen handelen, met eene boete van vijftig tot vijf duizend gulden.
Art. 45. Indien een bestuurder het misdrijf begaat, in art. 51 dezer wet be¬doeld, wordt hem bij het vonnis van veroordeeling tevens de bevoegdheid tot het bekleeden van eenige betrekking bij een spoorweg op Nederlandsch grondgebied voor altijd ontzegd.
Die in weerwil van zoodanige ontzegging eene betrekking bij een spoorweg aanvaardt, wordt gestraft met eene boete van honderd tot twee duizend galden.
Art. 46. De bestuurders eener spoorwegdienst zijn, in’geval van veroordeeling tot geldboete, ieder voor het geheel der opgelegde boeten aansprakelijk.
Geene veroordeeling wordt uitgesproken tegen den bestuurder, die bewijst het zijne te hebben gedaan om de wet te doen naleven.
De boete, in het voorlaatste lid van art. 44 bedreigd, kan niet hooger gaan dan tot vijf duizend gulden. De aldaar bedoelde tijd houdt op te loopen, zoodra art. 14 wordt toegepast.
Art. 47. De beambten en bedienden van den spoorweg worden gestraft:
zoo zij weigeren aan de bepalingen van de artt. 10 en 11 te voldoen, met eene boete van tien tot drie honderd gulden ;
zoo zij het in art. 4 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg of den bij art. 24 bedoelden algemeenen maatregel maatregel van inwendig bestuur overtreden, met eene boete van èén tot duizend gulden.
De beambten of bedienden zijn niet strafbaar, zoo hunne weigering of overtre¬ding een gevolg is van den last, door de bestuurders van de spoorwegdienst gegeven.
Art. 48. Indien een beambte of bediende het misdrijf begaat, in art. 51 dezer wet bedoeld, wordt hem, bij het vonnis van veroordeeling, tevens de bevoegdheid tot het bekleeden van eenige betrekking bij een spoorweg op INederlandsch grondgebied voor altijd ontzegd.
Die in weerwil van zoodanige ontzegging eene betrekking bij een spoorweg aanvaardt, wordt gestraft met eene boete van vijftig tot vijf honderd gulden.
Art. 49. Overtreding van de artt. 28, 30 en 31, of van de voorwaarden, gesteld bij onze besluiten, naar aanleiding van de artt. 29 en 30 genomen, wordt gestraft met eene boete van tien tot honderd gulden.
De overtreders worden daarenboven, op de vordering van het Openbaar Minis¬terie, veroordeeld om binnen een bij het vonnis te bepalen termijn de zaken in den vorigen stand te herstellen.
Bij gebreke van voldoening aan die uitspraak wordt, na verloop van den ge¬stelden termijn, het vonnis van Regeringswege ten koste van den overtreder ten uitvoer gelegd.
De kosten worden op den overtreder verhaald door den ontvanger der registra¬tie , naar een staat, opgemaakt door den ambtenaar, die het vonnis heeft doen uitvoeren.
Art. 50. Opzettelijke beschadiging of vernieling, geheel of ten deele, van de tot de dienst op den spoorweg behoorende roerende goederen, wordt gestraft met eene boete van één tot duizend gulden, of met gevangenis van één dag tot twee j aren, te zamen of afzonderlijk,
Art. 51. Die opzettelijk gevaar doet ontstaan voor een trein, wordt gestraft met tuchthuis van vijf tot tien jaren;
zoo verwonding of ander ligchamelijk letsel van iemand daarvan het gevolg is, met tuchthuis van vijf tot vijftien jaren.
zoo verlies van menschenieven daarvan het gevolg is, met tuchthuis van vijf tot twintig;
zoo de daad als moord is te beschouwen, met de straf, daartegen bij het Wet¬boek van Strafregt bedreigd.
Art. 52. Die zonder opzet gevaar, dat hij had kunnen en moeten voorzien, doet ontstaan voor een trein, wordt gestraft met gevangenis van drie maanden tot één jaar;
zoo verwonding of ander ligchamelijk letsel van iemand daarvan het gevolg is, met gevangenis van drie maanden tot twee jaren;
zoo verlies van menschenieven daarvan het gevolg is, met gevangenis van drie maanden tot drie jaren.
Art. 53. Aantasting van of gewelddadige en feitelijke wederstand tegen de bestuurders, de beambten of de bedienden van den spoorweg in de uitoefening hunner bediening gepleegd, wordt gestraft overeenkomstig de bepalingen van de artt. 209 tot en met 218 van het Wetboek van Strafregt.
Art. 54. Overtreding van de artt. 34, 35 en 36 wordt ‘gestraft met eene boete van één tot honderd gulden of met gevangenis van één dag tot ééne maand, te zamen of afzonderlijk.
Gelijke straf wordt uitgesproken tegen de personen, bedoeld in art. 26, wan¬neer zij de sluiting der hekken, aan hunne uitwegen geplaatst, verzuimen. Zjjn door hen personen met de sluiting belast, dan zijn deze wegens het verzuim strafschuldig.
Art. 55. De reizigers, die de bepalingen van den algemeenen maatregel van inwendig bestuur, in art. 24 bedoeld , overtreden, worden gestraft met eene boete van één tot vijf en zeventig gulden, of met gevangenis van één dag tot ééne maand, te zamen of afzonderlijk.
Van die overtreding wordt door den kantonregter kennis genomen.
De beambten en bedienden van den spoorweg kunnen de reizigers, die zich aan die overtreding schuldig maken, uit de rijtuigen verwijderen, of daarin niet toelaten.
Art. 56. Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en de artt. 9 en 20 van de wet van 29 Junij 1854 (Staatsblad no 102) zijn van toepassing op de overtredin¬gen van deze wet, van het in art. 4 bedoeld reglement op het gemeenschappelijk gebruik van een spoorweg, en van den bij art. 24 bedoelden algemeenen maat¬regel van inwendig bestuur.
Art. 57. Bij elke veroordeeling tot geldboete wordt tevens door den regter bepaald, dat, indien daaraan niet is voldaan, binnen twee maanden nadat de veroordeelde tot betaling is aangemaand, de boete door gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden zal worden vervangen.

 

Overgangsbepalingen.

Art. 58. De bepalingen van deze wet zijn, behoudens de bepaling van het 2de lid van dit artikel, op de bestaande spoorwegdiensten van toepassing.
De artt. 5, 4, 21, 23, 25 en 37 tot en met 41 kunnen door Ons op be¬staande spoorwegdiensten toepasselijk worden verklaard. Zoo hieruit voor de ondernemers dier diensten schade ontstaat, niet voortvloeijende uit de verplig- tingen, waaraan zij zich, bij het verkrijgen der vergunning tot het uitoefenen hunner dienst, hebben onderworpen, of waarin zij later bij opzettelijke bedin¬gen hebben toegestemd, ontvangen zij schadeloosstelling uit ’s Rijks kas.
Die schadeloostelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.
Art. 59. De bestuurders der bestaand*; spoorwegdiensten onderwerpen het dienstreglement, bij art. 5 bedoeld, aan de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken , binnen drie maanden na de afkondiging dezer wet.
Art. 60. Hetgeen binnen de afstanden, in de artt. 28, 30 en 31 bepaald, langs de bestaande spoorwegen is opgerigt, gegraven, geplaatst of nedergelegd, wordt, zoo de openbare veiligheid het vordert, tegen voorgaande schadeloos¬stelling, van Regeringswege weggenomen of gedigt.
De schadeloosstelling wordt, bij gebreke van minnelijke schikking, door den regter bepaald.

 

Slotbepalingen.

Art. 61. De ambtenaren, belast met het opsporen van misdrijven, en alle verdere beambten van politie hebben vrijen toegang tot den spoorweg en tot de daartoe behoorende gronden en gebouwen, tot gebruik van reizigers bestemd.
Art. 62. Tot het opsporen der overtredingen van deze wet, van den algc- meenen maatregel van inwendig bestuur, in art. 24 vermeld, en van het in art. 4 bedoeld reglement, zijn, behalve de bij art. 11 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren, bevoegd de personen, die tot de uitoefe¬ning van het toezigt op de spoorwegdiensten door Ons zijn aangewezen.
Art. 437 van het Wetboek van Strafvordering is toepasselijk op de processen¬verbaal, door hen opgemaakt.
Tot het opsporen der overtredingen, hierboven bedoeld, zijn eveneens be¬voegd de beëedigde beambten en bedienden van den spoorweg over de geheele uitgestrektheid van den weg waarop zij dienst doen, en binnen den kring van honderd el aan beide zijden van dien weg.
Lasten en bevelen, enz.