snelheid

BESLUIT van den 4den April 1860 houdende regeling van het toezigt op de spoorwegdiensten.

 

 

Wij WILLEM III, BIJ DE GRATIE GODS, KONING DER NEDERLANDEN, PRINS VAN ORANJE-NASSAU, GROOT-HERTOG VAN LUXEMBURG, ENZ., ENZ., ENZ.
Op de voordragt van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 7den Januarij 1860, no 170, 3de afdeeling;
Overwegende, dat volgens art. 9 der wet van 21 Augustus 1859 (Stbld. no 98), een algemeene maatregel van inwendig bestuur het algemeen toezigt op de spoor-wegdiensten moet regelen;
Den Baad van State gehoord (advies van den 17den Februarij jl., no 4);
Gezien het nader rapport van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken, van den 31sten Maart 1860, no 180, 3de afdeeling;
Hebben goedgevonden en verstaan:

Algemeene bepaling.

Art. 1. Het toezigt op de spoorwegdiensten wordt onder den Minister van Binnenlandsche Zaken uitgeoefend door een raad van toezigt en door ambtenaren.

Van de zamenstelling van den raad van toezigt

Art. 2. De raad van toezigt bestaat uit niet minder dan drie en niet meer dan vijf leden, en een secretaris.
Zij worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.
Een der leden, daartoe door Ons aan te wijzen, is voorzitter.
Art. 3. Niemand is tot lid van den raad benoembaar dan die Nederlander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van dertig jaren heeft vervuld.
Art. 4. Bloedverwantschap of zwagerschap in den eersten of tweeden graad mag niet bestaan tusschen de leden onderling.
Art. 5. De leden van den raad mogen geene bezoldigde of niet bezoldigde be¬dieningen dan met Onze toestemming te gelijk waarnemen.
Art. 6. Alvorens hun ambt te aanvaarden, wordt door de leden, ieder op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in handen van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken de volgende eed of belofte afgelegd: »lk zweer (beloof), dat ik al de pligten, die de wet, houdende bepalingen omtrent hel gebruik der spoorwegen en de krachtens die wet vastgestelde verordeningen aan mijn ambt verbinden, eerlijk en vlijtig zal vervullen.”
»Zoo waarlijk helpe mij God almagtig!” (»dat beloof ik”).
Zij worden hiertoe niet toegelaten, dan na den in art. 83 der Grondwet bedoelden eed (verklaring en belofte) van zuivering te hebben afgelegd.
Art. 7. De leden hebben hunne vaste woonplaats te s Gravenhage.
Art. 8. Zij behoeven, om zich, buiten de uitoefening hunner betrekking, van hunne vaste woonplaats te verwijderen, de toestemming van Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken.
Zoo zij zich in de uitoefening hunner betrekking van hunne vaste woonplaats verwijderen, geven zij daarvan steeds kennis aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Art. 9. De raad mag niet beraadslagen of besluiten zoo niet de helft, of, is hun getal oneven, de grootste helft zijner leden tegenwoordig is.
Indien de stemmen staken, beslist de stem van den voorzitter.
Art. 10. De voorzitter ontvangt en opent alle aan den raad gerigte stukken.
Hij brengt die terstond ter tafel in de vergadering, tenzij die stukken, vol¬gens de orde der vergadering, dadelijk behooren te worden verzonden aan het lid of de leden, meer in het bijzonder met de zaken, waartoe de stukken betrekking hebben, belast.
Hij teekent al de stukken, die van den raad uitgaan.
Art. 11. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den voorzitter wordt hij vervangen door het oudste lid in diensttijd.
Art. 12. De raad stelt een reglement van orde voor zijne werkzaamheden vast.
Dat reglement behoeft de goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Art. 13. Niemand is tot secretaris van den raad benoembaar, dan die Neder¬lander, in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsregten is en den ouderdom van drie en twintig jaren heeft vervuld.
Art. 14. De secretaris mag de leden niet in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap of zwagerschap bestaan.
Art. 5 is op hem van toepassing.
Art. 15. Door den secretaris wordt, alvorens zijne betrekking te aanvaarden, op de wijze zijner godsdienstige gezindheid, in de vergadering van den raad, in handen van den voorzitter dezelfde eed of belofte afgelegd, als in art. 6 is voorgeschreven.
Art. 16. De secretaris heeft zijne vaste woonplaats te s Gravenhage, en behoeft om zich daar buiten te begeven, verlof van den raad.
Art. 17. Hij heeft in de vergadering van den raad eene raadgevende stem.
Door hem worden alle stukken, die van den raad uitgaan, mede onderteekend.
Art. 18. Bij ongesteldheid, afwezigheid of ontstentenis van den secretaris, wordt hij vervangen op de wijze, bij het reglement van orde voor de vergadering van den raad te bepalen.
Art. 19. Bij den raad is een algemeen opziener op het stoomwezen der spoorwegdiensten werkzaam.
Hij is belast met het toezigt op de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens , en in ’t algemeen op al de middelen van vervoer, door de verschillende spoorwegondernemingen, voor de dienst bestemd.
Art. 20. Op den in het vorig artikel bedoelden opziener is van toepassing het¬geen bij de art. 13—16 ten aanzien van den secretaris is bepaald.

Van de bevoegdheid van den raad van toezigt.

Art. 21. De raad ziet toe op:
de naleving van de voorwaarden, waarop de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend;
de instandhouding van de spoorwegen en van de daartoe behoorende werken en gebouwen;
de inrigting en het onderhoud van de voor de spoorwegdienst bestemde rij¬en voertuigen;
de uitoefening van de dienst op de spoorwegen; de dienst op de stations en halten; de toepassing van de tarieven; de beambten en bedienden van de spoorwegen;
de uitvoering en handhaving van de dienstreglementen en andere verorde¬ningen ;
de naleving van hetgeen verder tot behoorlijke uitoefening van de spoorweg¬diensten en het . veilig verkeer over de spoorwegen is voorgeschreven.
Art. 22. De raad dient den Minister van Biinnenlandsche Zaken van berigt en raad over alles, wat de spoorwegdiensten aangaat en waaromtrent de beslissing aan Ons of aan den Minister van Binnenlandsche Zaken is opgedragen.
Art. 23. De raad wordt door den Minister van Binnenlandsche Zaken steeds gehoord omtrent hetgeen betreft:
de uitoefening van de dienst in het algemeen;
het herstellen of vernieuwen van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen en van de voor de spoorwegdienst bestemde rij- en voertuigen;
de bepaling der uren van vertrek en aankomst der treinen; de halten;
de tarieven voor het vervoer van personen en goederen; de beambten eu bedienden van den spoorweg en de aanvulling van hun getal; de dienstreglementen en andere verordeningen; de klagtenboeken;
Art. 24. De raad beschikt ten aanzien van de geschillen tussehen de bestuur¬ders van spoorwegdiensten en in art. 1 bedoelde ambtenaren gerezen, over de uitvoering van de uitvoering van den algemeenen maatregel van inwendig be¬stuur, bedoeld in art. 24 der wet van 21 Augustus 1859 (Stbld. no 98), voor zooveel betreft:
de dienst op de stations;
het toezigt over de baan en de bediening der seinen; het toezigt over de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens; de zamenstelling der treinen en de snelheid, waarmede zij zijn te vervoeren; hetgeen in het belang der orde op eiken trein is in acht te nemen; en, in het algemeen ten aanzien van alle geschillen, tusschen de bestuurders van spoorwegdiensten en die ambtenaren, omtrent zaken, welke eene onmiddel lijke beslissing eischen, en waaromtrent de beslissing niet bij de wet aan Ons of aan den Minister van Binnenlandscbe Zaken is opgedragen.
Art. 25. De raad geeft van elke beschikking onmiddellijk kennis aan den Minister van Binnenlandsche Zaken, die bevoegd is de beschikking te schorsen of te vernietigen, en, in geval van vernietiging, uitspraak doet.
Art. 26. De raad is verpligt de bevelen van den Minister van Binnenlandsche Zaken stipt na te leven.
Art. 27. Hij is bevoegd aan den Minister van Binnenlandsche Zaken de voor¬stellen te doen, welke hij in het belang van eene behoorlijke uitoefening der spoorwegdiensten noodig acht.
Art. 28. De leden van den raad zijn bevoegd afzonderlijk of te zamen plaatselijke opnemingen te doen van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen, en van de voor de spoorwegdienst bestemde rij- en voertuigen.
Zij winnen daarbij de inlichtingen in, welke zij behoeven om den Minister van Binnenlandsche Zaken voor te lichten omtrent alles, wat tot de spoorwegdiensten betrekking heeft.
Art. 29. De raad geeft aan de bestuurders der spoorwegdiensten schriftelijke kennis van hetgeen tot instandhouding van den spoorweg en tot behoorlijke uitoefening van de dienst behoort te worden gedaan.
Hij doet hiervan bemiddellijk mededeeling aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.
Art. 30. Zonder toestemming van den Minister van Binnenlandsche Zaken geeft de raad geene bevelen aan de bestuurders der spoorwegdiensten, waaruit kosten voor den Staat zouden kunnen voortvloeijen.
Art. 31. De raad zorgt, zooveel hem afhangt, dat, zoo noodig, procesverbaal worde opgemaakt tegen de bestuurders der spoorwegdiensten, de beambten en bedienden der spoorwegen of tegen bijzondere personen, wegens overtreding der wetten en andere verordeningen betrekkelijk de spoorwegen.
Hij zorgt, zooveel van hem afhangt, dat gevolg aan die processen-verbaal worde gegeven.
Art. 32. De briefwisseling van de bestuurders van spoorwegdiensten met de Regering geschiedt door tusschenkomst van den raad.
Alleen in zeer buitengewone gevallen mag hiervan worden afgeweken.
De Minister van Binncnlandschc Zaken is echter steeds bevoegd in regtstreek- sclie briefwisseling met de bestuurders van spoorwegdiensten te treden.
Art. 33. De brieven en andere stukken der bestuurders van spoorwegdiensten worden door den raad onder mededecling van zijn gevoelen, aan den Minister van Binnenlandsche Zaken gezonden.
Art. 34. De raad is bevoegd de hoofd ingenieurs van den waterstaat in de onderscheiden districten te hooren omtrent den toestand van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen, ieder, voor zoo ver het district betreft, waarin hij werkzaam is.
Art. 35. Hij is bevoegd in briefwisseling te treden met onze commissarissen in de provinciën, met de Gedeputeerde Staten en de gemeentebesturen, ten einde inlichtingen te vragen.
Art. 36. Vier malen ‘s jaars, den eersten Januarij, den eersten April, den eersten Julij en den eersten October, doet de raad een omstandig verslag aan den Minister van Binnenlandsche Zaken van den toestand van de spoorwegen en de daartoe behoorende werken en gebouwen en van de uitoefening der spoor¬wegdiensten in haren ganschen omvang.
De raad doet daarbij de voorstellen, welke hij noodig acht.
Het verslag wordt ingerigt in den vorm, door den Minister van Binnenland¬sche Zaken te bepalen.
Art. 37. De driemaandelijksebe verslagen, in het vorige artikel bedoeld, wor¬den telken jarc in het verslag van de drie laatste maanden van het jaar zamen gevoegd tot een algemeen verslag, en daarbij de voorstellen gedaan of herhaald, welke de raad noodig acht.
Art. 38. De raad verzamelt de noodige bescheiden om eene statistiek der spoorwegdiensten te kunnen opmaken.
Jaarlijks worden de statistieke opgaven, ingerigt in den vorm door den Mi¬nister van Binnenlandsche Zaken te bepalen, aan den Minister toegezonden.

Van de ambtenaren met het dagelijksche toezigt belast.

Art. 39. Met het dagelijksch toezigt op de spoorwegdiensten zijn belast spoor- wegopzieners.
Zij worden door Ons benoemd, geschorst en ontslagen.
Art. 40. Op hen is van toepassing hetgeen bij art. 5 ten aanzien van de leden en bij de artt. 13 en 15 ten aanzien van den secretaris is bepaald.
Art. 41. Bij elke spoorwegonderneming is ten minste één spoorwegopziener.
Art. 42. De spoorwegopzieners zien toe, op:
den spoorweg en de daartoe behoorende werken en gebouwen;
de afsluitingen van den spoorweg;
de dienst op den spoorweg en op de stations en halten;
het toezigt over de baan en de bediening der seinen;
de zamenstelling, het vertrek, de aankomst en het vervoer der treinen;
de orde op de treinen;
de toepassing der tarieven en de behandeling der vrachtgoederen;
de aansluiting der diensten aan de eindpunten van twee verschillende spoor¬wegen ;
de beambten en bedienden van den spoorweg; en
in het algemeen, op alles wat tot de dagelijksche uitoefening der spoorweg¬diensten betrekking heeft.
Art. 43. Behalve de bijzondere rapporten, waartoe het dagelijksch toezigt aanleiding kan geven, doen de spoorwcgopzieners elke maand verslag aan den raad van de spoorwegdiensten en hetgeen daartoe behoort, ieder voor zooveel betreft de zaken, waarop hem het dagelijksch toezigt is opgedragen.
Die verslagen worden ingerigt in den vorm door den raad te bepalen.
Art. 44. Ingeval een ongeluk plaats vindt, of zich buitengewone omstandig¬heden voordoen, geven de spoorwcgopzieners daarvan onmiddellijk kennis aan den Minister van Binnenlandscbc Zaken, en stellen zij, zoo veel noodig, een plaatselijk onderzoek in, waarvan zij den uitslag aan den raad en aan den Mi¬nister van Binnenlandsche Zaken mededeelen.
Art. 43. De instructiën van de spoorwcgopzieners worden, onder goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, door den raad vastgesteld.
Onze Minister van Binnenlandsche Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit, hetwelk in het Staatsblad zal worden geplaatst.

 

*s Gravenhage, den 4den April 1860.
WILLEM.
De Minister van Binnenlandsche Zaken,
S. VAN HEEMSTRA.
Uitgegeven den elfden April 1860.
De Directeur van het Kabinet des. Konings,
DE KOCK