7700

 

Locaalspoorweg Reglement

 

ALGEMEEN REGLEMENT voor den dienst op de spoorwegen, bedoeld in artikel 1 der wet van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118).
HOOFDSTUK I.

van den weg.

Onderhoud van weg en werken. Aanduiding van gedeelten, welke slechts met verminderde snelheid en van die, welke niet mogen worden bereden.

Art. 1.
1. De weg en de daartoe behoorende werken worden voortdurend zoodanig onderhouden, dat zij veilig met de grootste overeenkomstig artikel 68 toegelaten snelheid kunnen worden bereden.

2. Gedeelten, welke wegens de uitvoering van werken of om andere redenen niet met de grootste overeenkomstig artikel 68 toegelaten snelheid kunnen worden bereden, zijn, zoowel bij nacht als bij dag, gedurende den dienst, door van den trein; duidelijk te herkennen seinen aangewezen.

3.1 Gedeelten, welke tijdelijk niet te berijden zijn, worden door haltseinen, op voldoenden afstand geplaatst, kenbaar gemaakt, ook wanneer geen trein wordt “verwacht. Bewaking en scliouwing van den spoorweg. 2. 1. Bewaking van dén spoorweg wordt alleen gevorderd op de door den Minister aan ïte wijzen plaatsen, en slechts zoolang er treinen verwacht worden.

2. Dagelijks tusschen zonop- en -ondergang Jjaaoet de weg over zijne geheele lengte ten minste eenmaal nauwkeurig worden geschouwd. In bijzondere gevallen of voor bepaalde baanRyakken kan de Baad van Toezicht bepalen, dat meer dan eenmaal per etmaal en op weiKen tijd van het etmaal moet worden geschouwd.

3 .Punten, waar gevaar dreigt, moeten voortdurend worden bewaakt.

4. Bij elke. schouwing wordt inzonderheid gelet op den toestand van sporen, wissels en seininrichtingen.

 

Profiel van vrije ruimte.

3. 1. Ten aanzien van spoorwegen met normale spoorwijdte geldt voor de sporen op den weg en de hoofdsporen op de stations en halten het als bijlage A bij dit reglement gevoegde, met I gemerkte profiel van vrije ruimte,voor de overige sporen het met II gemerkte profiel. Voor de spoorwegen met andere spoorwijdte wordt het profiel van vrije ruimte door den Minister, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, vastgesteld.
2. Binnen deze profielen mogen geene vaste voorwerpen worden gebouwd, tenzij deze voor de veiligheid van het verkeer niet hinderlijk zijn en door den Raad van Toezicht worden toegelaten.
Hoofdsporen.

4. 1. In de hoofdsporen worden geene gezonken sporen en geene draaischijven toegelaten.

2. Er moeten inrichtinen zijn, waardoor het omzetten van op een afstand van meer dan 1,250 meter bediende wissels in de hoofdsporen, f terwijl een trein door den wissel rijdt, belet I wordt.

3. Bij wissels in de hoofdsporen, welke op I een afstand van minder dan 250 meter bediend f, worden, zijn dergelijke inrichtingen vereischt, 1 indien de Baad van Toezicht, bestuurders’ van den spoorwegdienst gehoord, dit noodig oordeelt.

4. Van het bepaalde in het eerste en in het tweede lid kan door den Baad van Toezicht ontheffing worden verleend.
Maatregelen ter voorkoming van het ongewenseht met elkaar in aanraking komen van voertuigen.

5. 1. Tusschen twee samenloopende of elkander kruisende sporen wordt de grens aangeduid, tot welke zich voertuigen op het eene spoor kunnen bewegen, zonder de beweging van voertuigen op het andere spoor te hinderen. Tusschen die grens en den wissel of het kruispunt mogen gelijktijdig op de beide sporen geen voertuigen worden geplaatst of voortbewogen.

2. De wijze, waarop die grens wordt aangeduid, wordt, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, door den Baad van Toezicht vastgesteld.

3. Tijdig vóór de komst van een trein moeten de te berijden sporen vrij en onbelemmerd en de wissels in den juisten stand gesteld zijn.

 

Aanwijzing van afstanden en hellingen.

6. 1. Op den weg zijn palen geplaatst, die den afstand van een eindstation langs de as van den spoorweg in kilometers aangeven.

2. Waar de weg van een waterpas gedeelte in eene helling, of van de eene helling in eene andere * helling overgaat, worden wijzers geplaatst. Op deze wijzers zijn aangegeven de lengte van de waterpas liggende en van de hellende gedeelten, alsmede de sterkte dor helling.

3. Wanneer de helling niet sterker is dan 1 op 200 behoeven geene wijzers te worden geplaatst.

4. De palen en de wijzers, in dit artikel bedoeld, moeten bij dag uit den trein duidelijk zichtbaar zijn. Zij behoeven niet geplaatst te worden, waar de spoorweg op den publieken weg gelegen is.

Afsluiting van den spoorweg. Afwijking van artikel 83 der wet van 9 April 1876 (Staatsblad n«. 67).

7. 1. In afwijking van artikel 33 der wet van 9 April 1876 (Staatsblad n°. 67) wordt de spoorweg alleen afgesloten op de gedeelten, door den Minister aan te wijzen. *

2. De wijze van afsluiting op die gedeelten wordt door den Minister bepaald.

Bewaking en bediening der afsluitingen van openbare overwegen.

8. 1. De beweegbare afsluitingen van openbare overwegen worden bediend en bewaakt door een beambte, die in de onmiddellijke nabijheid daarvan is geplaatst.

2. Door den Baad van toezicht kan ontheffing worden verleend van de bepaling, dat de beambte in de onmiddellijke nabijheid moet zijn geplaatst.

3. Met afwijking van het bepaalde bij het eerste lid kunnen sluitboomen met goedvinden van den Baad van Toezicht op afstand worden bediend. Bij deze op afstand bediende overwegen is een waarschuwingstoestel geplaatst, waarmede de beambte, met de bediening belast, alvorens den overweg af te sluiten, het sein geeft, dat tot sluiting zal worden overgegaan. Het sein van dat waarschuwingstoestel wordt door bestuurders van den spoorwegdienst aan Burgemeester’ en Wethouders der gemeente, waarin de overweg gelegen is, opgegeven en door deze algemeen bekend gemaakt.

4. De beweegbare afsluitingen van openbare overwegen worden ten minste drie minuten vóór de komst van eiken trein gesleten en onmiddellijk na het voorbijgaan der treinen weder geopend. Afwijkingen van deze bepalingen kunnen door den Baad van Toezicht worden voorgeschreven.

5. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op openbare voetpaden, welke met klaphekkenof draaikruisen zijn afgesloten.

 

Verlichting van openbare overwegen.

9. 1. De openbare overwegen, welke ingevolge bepaling van den Minister, als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van beweegbare afsluitingen zijn voorzien, worden, met uitzondering van de openbare voetpaden, des nachts, zoolang zij afgesloten zijn, op naar het oordeel van den Baad van “Toezicht voldoende wijze verlicht.

2. Voor weinig bezochte openbare overwegen kan door den Raad van Toezicht ontheffing van de verplichting tot verlichting worden verleend.

Toegang tot den spoorweg. Afwijking van de artikelen 43 en 44 van de wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

10. 1. In afwijking van de artikelen 43 en 44 van de wet van 9 April 1876 (Staatsblad n°. 67) zijn bij de spoorwegen, voor welke dit reglement geldt, de in die artikelen vermelde handelingen slechts voor zooveel betreft de op eigen baan aangelegde gedeelten verboden.

2. Bij spoorwegen of spoorweggedeelten, welke niet op eigen baan zijn aangelegd, en bij welke dus overeenkomstig het eerste lid van dit artikel de in de artikelen 43 en 44 van de wet van 9 April 1876 (Staatsblad n°. 67) vermelde handelingen niet verboden zijn, is het verboden :
a. met of zonder voertuig op den spoorweg te verblijven of paarden, vee of andere dieren daarover te drijven, wanneer een trein in aantocht is, en dezen daardoor of op eenigerlei andere wijze in zijn loop te belemmeren;
b. den spoorweg te berijden met niet tot den spoorwegdienst behoorende voertuigen, welke er op ingericht zijn om een of meer der wielen langs de spoorstaven te doen loopen.
Beperking in hel gebruik van overwegen.

11. 1. Het is aan ieder, wien het uit den aard zijner betrekking niet vrijstaat, verboden :
a. over de van beweegbare afsluitingen voorziene openbare overwegen te gaan of te rijden, wanneer zij afgesloten zijn of het in artikel 8, derde lid, bedoelde sein voor de Sluiting gegeven is ;
b. over de niet van beweegbare afsluitingen voorziene openbare overwegen, over de uit- en overwegen, bedoeld in artikel 36, tweede lid, der wet van 9 April 1876 (Staatsblad n°. 67), of over de voetpaden, waar deze den spoorweg kruisen te gaan of te rijden, wanneer een trein in aantocht is.

2 Het is verboden ploegen, eggen en andere dergelijke gereedschappen, alsook boomstammen en zware voorwerpen over de overwegen te sleepén. Zij moeten gedragen dan wel met wagens of sleden over de overwegen vervoerd worden.

3. Binnen tien minuten vóór den tijd voor de komst van een trein bepaald, mag, indien de beambte met de bewaking belast, zulks verbiedt, geen vee over den overweg gedreven worden.

 

Waarschuwingsborden.

12. 1. Langs den spoorweg en langs de overwegen worden op die punten, waar de Baad van Toezicht zulks noodig acht, door den spoorwegdienst waarschuwingsborden geplaatst en onderhouden.

2. Vorm, afmetingen en opschriften dier borden behoeven de goedkeuring van genoemden Baad.

Kruisingen van spoorwegen op gelijke hoogte.

13. 1. Bij kruising op gelijke hoogte van in dit reglement bedoelde spoorwegen door spoorwegen, voor welke noch dit reglement noch het Algemeen Eeglement Dienst van kracht is, worden de bepalingen van artikel 10 van het Tramwegreglement 1902 op de in de tweede plaats bedoelde spoorwegen toegepast, ook al mocht dat reglement niet voor die spoorwegen gelden.

2. Voor andere spoorwegkruisingen op gelijke hoogte gelden de bepalingen van artikel 15, eerste lid, en van artikel 17, tweede lid, van dit reglement.

 

Beweegbare bruggen.

14. 1. Voorschriften voor do bediening en beveiliging van beweegbare spoorwegbruggen, in verband met de scheepvaart worden in bij Koninklijk besluit vast te stellen reglementen gegeven.

2. De bruggen, waarvoor bij een der in het eerste lid bedoelde reglementen niet anders is bepaald, blijven in den regel gesloten en worden op verzoek van belanghebbenden geopend. Zij moeten vijf minuten vóór den tijd, voor de komst van een trein bepaald, gesloten zijn.

3. Des daags wordt het geopend zijn en des nachts zoowel het geopend als het gesloten zijn van de doorvaart door seinen aan de scheepvaart aangegeven. Door den Minister kan van deze bepaling ontheffing worden verleend.

4. Met afwijking van hetgeen omtrent het gesloten zijn of het sluiten van beweegbare spoorwegbruggen in het tweede lid van dit artikel is, en in de in het eerste lid van dit artikel bedoelde reglementen is of zal worden bepaald, moeten die bruggen geopend zijn, voor zooveel en op de tijden, waarvoor dit door den Minister, na bestuurders van den spoorwegdienst te hebben gehoord, zal worden bepaald.

 

HOOFDSTUK II

VAN DE SEINEN. .

Afstandsseinen en vóórseinen.

15. 1. De stations, de van wissels voorziene halten, de kruissporen, de kruisingen van spoorwegen op gelijke hoogte, welke niet vallen onder het eerste lid van artikel 13, de aansluitingen van spoorwegtakken, de wissels in de hoofdsporen buiten de stations, halten en kruissporen en de beweegbare bruggen worden beveiligd door seinen, die op zekeren afstand van de te beschermen punten worden geplaatst en afstandsseinen worden genoemd.

2. De afstand van die seinen tot het te beschermen punt wordt in verband met het lengteprofiel van den weg en de snelheid, waarmede de treinen worden vervoerd, bepaald, met dien verstande dat die afstand niet kleiner zij dan 300 meter.

3. Deze afstandsseinen moeten, bij normale weersgesteldheid, van den aankomenden trein op zoodanigen afstand zichtbaar zijn, dat deze bij onveiligen stand van het afstandssein daarvóór tot stilstand kan worden gebracht.

4. De stand van het afstandssein moet op de plaats van bediening kunnen waargenomen worden.

5. Waar de veiligheid dit noodig maakt, worden vóór de afstandsseinen vóórseinen geplaatst, die bij onveiligen stand van het afstandssein het sein langzaam rijden of onveilig aangeven.

6. Bij gebruik van vóórseinen kunnen de afstandsseinen nabij de te beschermen punten worden geplaatst en behoeven zij niet te vol- doen aan de bepaling van het derde lid van dit artikel. De afstand van het te beschermen punt tot het afstandssein moet alsdan ten minste 100 meter bedragen en die van het afstandssein tot het vóórsein op de bij het tweede lid bedoelde wijze worden bepaald en ten minste 450 meter bedragen.

7. Door den Minister kan van de bepalingen van dit artikel ontheffing worden verleend.

Seinen bij wissels en waterkranen. Verbinding tusschen wissels en seinen.

16. 1. De stand van de uitlooppijpen der waterkranen langs de hoofdsporen moet bij nacht, die van de wissels in de hoofd- en zijsporen, waar de Raad van Toezicht zulks noodig oordeelt, zoowel bij dag als bij nacht, gedurende den dienst op voldoenden afstand kenbaar zijn door middel van zelfwerkende seinen.

2. Wissels, welke buiten de stations en halten in de hoofdsporen gelegen zijn, moeten zoodanig met de afstandsseinen verbonden zijn, dat bij veiligen stand van die seinen, de goede stand van de wissels verzekerd is.

3. Wissels in de hoofdsporen op een station, of halte moeten, als zij tegen de punt bereden worden, zoodanig met de seinen verbonden zijn, dat bij veiligen stand van het betrekkelijk sein de goede stand van de wissels verzekerd is.

4. Met goedvinden van den Raad van Toezicht kan afgeweken worden van het bepaalde in het voorgaande lid, mits de wissels alsdan bij het doorrijden van treinen over het hoofd- j spoor met een slot gesloten of bewaakt zijn.

Verbinding tusschen afstandsseinen en beweeg- 1 bare bruggen en tusschen afstandsseinen onderling.

17. 1. Bij beweegbare bruggen moeten de afstandsseinen zoodanig ingericht en aan de bruggen verbonden zijn, dat zij niet op veilig kunnen worden gesteld, tenzij de brug is gesloten en opgezet.

2. Bij kruisingen van spoorwegen op gelijke j hoogte, welke van afstandsseinen zijn voorzien, i en bij aansluitingen van spoorwegtakken moe- j ten de afstandsseinen zoodanig onderling gekoppeld zijn, dat niet tegelijkertijd veilig kan worden gegeven aan treinen, welke met elkaar in aanraking zonden kunnen komen.

 

Normale stand der seinen.

18. 1. De afstandsseinen van stations, halten, kruissporen en aansluitingen van spoorwegtakken moeten in normalen stand het sein onveilig geven.

2. Voor de overige afstandsseinen en de andere vaste seinen wordt een normale stand door bestuurders van den spoorwegdienst voorgeschreven.

3. De seinen, waarvoor de onveilige stand als de normale is voorgeschreven, worden alleen uit dien stand gebracht, wanneer een naderende trein veilig kan doorrijden, en op onveilig teruggebracht, zoodra de trein het sein en de daardoor beschermde inrichtingen is voorbijgereden. Het voorbijgereden sein kan, zonder dat de daarbij vermelde voorwaarde is vervuld, op onveilig worden teruggebracht:
a. indien de trein na het passeeren van het sein tot stilstand wordt gebracht, vóórdat de door het sein beschermde inrichtingen zijn voorbijgereden;
b. indien de beschermde inrichtingen ook na het onveilig stellen van het sein gesloten blijven tot na het voorbijrijden van den trein.

4. Van het bepaalde bij het eerste en derde lid van dit artikel kan door den Raad van Toezicht ontheffing worden verleend.

 

Electrische verbindingen.

19. 1. Het gebruik en de bediening van de electrische verbindingen ter beveiliging van den treinenloop en ter bevordering van de regelmatigheid van het verkeer, als daar zijn : de telegraaf, de toestellen voor den blokseindienst langs den weg, de klokken en wekkers en de noodseininrichtingen, worden geregeld bij het dienstreglement, bedoeld in artikel 6 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

2. De Baad van Toezicht bepaalt, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, welke electrische verbindingen voor eiken spoorweg noodig zijn.

8. Op spoorwegen, waar de telegraaf gebruikt wordt voor het veilig verkeer der treinen, kan de Baad van Toezicht, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, bepalen, dat voor het worden gegeven aan treinen, welke met elkaar in aanraking zonden kunnen komen.

 

Normale stand der seinen.

18. 1. De afstandsseinen van stations, halten, kruissporen en aansluitingen van spoorwegtakken moeten in normalen stand het sein onveilig geven.

2. Voor de overige afstandsseinen en de andere vaste seinen wordt een normale stand door bestuurders van den spoorwegdienst voorgeschreven.

3. De seinen, waarvoor de onveilige stand als de normale is voorgeschreven, worden alleen uit dien stand gebracht, wanneer een naderende trein veilig kan doorrijden, en op onveilig teruggebracht, zoodra de trein het sein en de daardoor beschermde inrichtingen is voorbijgereden. Het voorbijgereden sein kan, zonder dat de daarbij vermelde voorwaarde is vervuld, op onveilig worden teruggebracht:

a. indien de trein na het passeeren van het sein tot stilstand wordt gebracht, vóórdat de door het sein beschermde inrichtingen zijn voorbijgereden;

b. indien de beschermde inrichtingen ook na het onveilig stellen van het sein gesloten blijven tot na het voorbijrijden van den trein.

4. Van het bepaalde bij het eerste en derde lid van dit artikel kan door den Baad van Toezicht ontheffing worden verleend.

 

Electrische verbindingen.

19. 1. Het gebruik en de bediening van de electrische verbindingen ter beveiliging van den treinenloop en ter bevordering van de regelmatigheid van het verkeer, als daar zijn : de telegraaf, de toestellen voor den blokseindienst langs den weg, de klokken en wekkers en de noodseininrichtingen, worden geregeld bij het dienstreglement, bedoeld in artikel 6 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

2. De Baad van Toezicht bepaalt, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, welke electrische verbindingen voor eiken spoorweg noodig zijn.

8. Op spoorwegen, waar de telegraaf gebruikt wordt voor het veilig verkeer der treinen, kan de Baad van Toezicht, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, bepalen, dat voor het worden geseind : weg veilig, langzaam rijden of stilhouden.

 

Treinseinen.

I 22. 1. Elke trein voert, zoowel bij dag als bij nacht, de noodige seinen om het achterste voertuig kenbaar te maken.

t,’ 2. Bovendien wordt des nachts elke trein

• aan de voorzijde voorzien van ten minste twee helder brandende lantaarns, welke naar voren wit licht geven, behoudens de afwijkingen,

u.voorgeschreven in het seinreglement, bedoeld bij artikel 26.

3. Elke buitengewone trein moet daarenboven een duidelijk zichtbaar sein voeren.

fH’ 4. Niet door stoom bewogen voertuigen voeren, wanneer zij zich op de hoofdsporen bevinden, des nachts eene helder brandende lantaarn, welke naar de zijde, vanwaar op het spoor, waarop het voertuig is geplaatst, treinen kunnen worden verwacht, rood licht vertoont.

K 5. Bij het rangeeren kan van de bepalingen van het eerste en tweede lid worden afgeweken, mits des nachts de locomotief of de locomotief ‘met tender aan de voorzijde en aan de achter-

– zijde van eene lantaarn is voorzien, welke wit licht geeft.

Seinmiddelen op de treinen. I 23. 1. In de treinen moeten seinmiddelen ‘ aanwezig zijn, waarmede zoowel des daags als des nachts de wachters en het personeel van andere treinen gewaarschuwd worden: I A. dat een trein, die niet vooraf schriftelijk is aangekondigd, in aantocht is i a. in dezelfde richting; 6. in tegenovergestelde richting; I B. dat er storing is op de telegraaflijnen van “het Bijk of van den spoorwegdienst. Dit sein . behoeft alleen des daags gegeven te worden.

• 2. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op rangeerende treinen.

Seinen te geven door den machinist en de overige treinbeambten. 24. 1. De machinist, moet de middelen hebben om de volgende seinen te geven: >; 1*. geeft acht; 2°. remmen vast; 3°. remmen los; de overige trembeambten die om het sein tot stilhouden te geven.

2. Bij het naderen vap niet bewaakte over. wegen, in bochten, waar het uitzicht belemmerd is, en in het algemeen daar, waar de spoorweg is aangelegd op een openbaren weg of waar het op niet afgesloten gedeelten van den weg mocht noodig zijn, wordt met de bel op de locomotief geluid.

Maatregelen bij omstandigheden, waardoor de dagseinen niet duidelijk zijn te onderscheiden.

25. 1. Bij mistig weder, sneeuwjacht en andere omstandigheden, waardoor de dagseinen op een afstand van driehonderd meter niet duidelijk te onderscheiden zijn, worden naast die seinen de nachtseinen gebezigd.

2. Voorschriften tot bevordering van het veilig verkeer in dergelijke gevallen en voor het gebruik van knalseinen worden gegeven in het dienstreglement, bedoeld in artikel 6 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67).

 

Plaatsing der seinen. Seinreglement.

26. 1. De plaatsing van de vaste seinen, hunne onderlinge verbindingen en hunne verbindingen met de wissels in de hoofdsporen, worden omschreven in voorschriften, welke aan den Baad van Toezicht worden toegezonden.]

2. De beschrijving en de voorschriften voor; het gebruik van de seinen, in dit hoofdstuk genoemd, worden opgenomen in eene afzonderlijke afdeeling van het dienstreglement, bedoeld in artikel 6 van de-wet van 9 April 1875 (Staatsblad n». 67), welke afdeeling den naam „Seinreglement” zal dragen.

 

HOOFDSTUK Hl.

VAN DB STATIONS EN DE HALTEN.

Soorten van stations en halten.

27. Na bestuurders van den spoorwegdienst te hebben gehoord, wijst de Minister de stations en de .halten aan en bepaalt welke stations als hoofdstations en welke halten als stopplaatsen zijn te beschouwen.

Voorschriften ter instandhouding van de goede orde op buitenpleinen en toegangen.

28. Eene plaatselijke verordening omtrent’ hetgeen ter instandhouding van de goede orde rop de buitenpleinen van en de toegangen tot de stations en halten van spoorwegondernemingen ia voor te schrijven, wordt niet vastgesteld, dan nadat bestuurders van den spoorwegdienst zijn gehoord.

Namen van stations en halten. Uurwerken.

29. 1. De naam van elk station en van elke Ijbalte wordt met duidelijke, uit den trein lees-

bare letters aangeduid. 2. Elk station en elke halte, geen stopplaats

Tljnde, moet voorzien zijn van een goed loopend .uurwerk, geregeld naar den middelbaren tijd

van Amsterdam. t 3. Voor die stations en halten, geen stopï plaats zijnde, waar het bij het tweede lid beïdoelde uurwerk niet op naar het oordeel van

den Raad van Toezicht voldoende wijze voor |de vertrekkende reizigers waarneembaar is,

kan door dien Raad het aanbrengen van zulk

een uurwerk in de wachtkamers of de vestit”bule worden voorgeschreven.

Verlichting en verwarming. I 30. De hoofdingang van de stations en van

de halten, geen stopplaats zijnde, alsmede de | .voor de reizigers of voor het publiek toeganï kelijke lokalen en perroi.s worden, zoolang zij

zijn opengesteld, bij nacht behoorlijk verlicht; I de wachtkamers worden daarenboven van 16

October tot 16 April gedurende den tijd, dat ï. zij zijn opengesteld, voldoende verwarmd.

Ladingmallen en weegbruggen.

31. Op elk station, waar de Raad van Toezicht, bestuurders van den spoorwegdienst gehoord, het noodig acht, moeten een ladingmal

B-voor het meten en eene weegbrug voor het wegen van geladen wagens aanwezig zijn.

I Reservelocomotieven alsmede werktuigen en materialen tot ontruiming en herstel van den weg.

32. De Raad van Toezicht wijst, bestuurders I van den spoorwegdienst geboord, de stations

aan, waar:

I u. zoolang treinen op weg zijn, eene reservelocomotief gereed moet staan om onverwijld dienst te kunnen doen; b. de noodige werktuigen er. materialen aanwezig moeten zijn, om bij ongevallen den weg te ontruimen en voorloopig te herstellen.

Publicatie van reglements- en wetsbepalingen op de stations en halten.

33. L Een door den Raad van Toezicht goedgekeurd uittreksel uit dit reglement, uit het algemeen reglement voor het vervoer op de spoorwegen en uit de wet van 9 April 1876 (Staatsblad n°. 67) en uit die van 9 Juli 1900 (Staatsblad n°. 118), bevattende de voorschriften door het publiek in acht te nemen, wordt in de wachtkamers der stations en halten, op eene plaats, waar het duidelijk leesbaar is, opgehangen of aangeplakt.

2. In dat uittreksel worden ook de straffen vermeld, welke op overtreding van bovenbedoelde voorschriften zijn gesteld, en worden voorts opgenomen de artikelen 164, 166, 179 tot en met 183, 350, 361 en 351*w van het Wetboek van Strafrecht.

Klachtenboeken.

34. 1. Op elk hoofdstation moet op het bureau van den chef een klachtenboek zijn, volgens een door den Raad’van Toezicht vast te stellen model, waarin klachten over aangelegenheden, den spoorwegdienst betreffende, kunnen worden geschreven.

2. Op de gemeenschappelijke stations moet voor elk der spoorwegondernemingen, die voor haren dienst van dat station gebruik maken, een klachtenboek zijn.

3. Het klachtenboek wordt op elk blad genummerd en op de eerste en laatste bladzijde door een der leden van den Raad van Toezicht gewaarmerkt.

4. Het wordt op de eerste aanvrage door den chef verstrekt aan ieder, die het ter inschrijving van eene klacht verlangt en ter inzage gegeven aan de ambtenaren, genoemd in artikel 11 der wet van 9 April 1875 (Staatsblad n°. 67), aan de ambtenaren van het Openbaar Ministerie, den kantonrechter, den commissaris van politie en den burgemeester.

5. Een ieder, die van het klachtenboek gebruik maakt, moet duidelijk, volledig en in behoorlijken vorm den aard en de strekking van de klacht, zijn naam en vaste woonplaats opgeven ; klachten over beambten en bedienden van den spoorweg moeten, zoo mogelijk, den naam, de betrekking of het nummer van den bedoelden persoon aangeven. De klacht moet onderteekend zijn.

6. Bestuurders dragen zorg, dat zij ten spoedigste afschrift van de klachten ontvangen. Zij zijn verplicht deze te onderzoeken, den uitslag van hun onderzoek zoo spoedig mogelijk aan den klager schriftelijk mede te deelen en een afschrift van de schriftelijke mededeeling achter de klacht in het klachtenboek te doen schrijven.

7. Wanneer de op een station ingeschreven klacht een anderen spoorwegdienst aangaat dan die, waartoe dat station behoort, wordt door do zorg van bestuurders een afschrift der klacht gezonden aan bestuurders van den bij de klacht betrokken spoorwegdienst, die zorg dragen voor bet onderzoek en de mededeeling van den uitslag daarvan aan den klager.

8. Zij zenden een afschrift van die mededeeling aan de bestuurders van den spoorwegdienst, tot welken het station behoort, ten einde in het klachtenboek te worden ingeschreven.

9. Indien op een gemeenschappelijk station in het klachtenboek van ééne onderneming eene klacht is ingeschreven, die eene andere bij de gemeenschap betrokken onderneming aangaat, dan wordt die door den stationschef in het klachtenboek dier andere onderneming overgebracht en geacht rechtstreeks in laatstbedoeld boek te zijn ingeschreven.

10. Eene door den stationschef te waarmerken vermelding van het overbrengen dezer klacht in een ander klachtenboek wordt dan in het eerste klachtenboek opgenomen.

11. Door bestuurders van den spoorwegdienst wordt in de eerste helft van elke maand van de klachten, in de vorige maand ingeschreven en van de daarop gegeven antwoorden afschrift gezonden aan den Baad van Toezicht.

Afsluiting van wegen over sporen op stations en halten.

35. 1 Wegen over sporen op stations en halten moeten, indien de Minister zulks noodig oordeelt, van door hem goed te keuren be¬

weegbare afsluitingen worden voorzien. 2. Voorschriften omtrent de bediening en bewaking dezer afsluitingen worden door bestuurders van den spoorwegdienst, onder goedkeuring van den Minister, gegeven.

Verplichtingen van de chefs van stations en halten.

36. I. De chef van elk station of halte, of een plaatsvervanger, moet bij het vertrek der treinen tegenwoordig zijn.

2. Hij treft de noodige maatregelen om het veilig verkeer van de reizigers naar en van den trein te verzekeren.

Maatregelen ter voorkoming van ongewenscht in beweging geraken van stilstaande voertuigen.

37. Maatregelen worden genomen om te beletten, dat op de sporen staande voertuigen door den wind of door andere onvoorziene omstandigheden in beweging worden gebracht.

HOOFDSTUK IV.

van het rollend materieel.

Afdeeling I.

Van locomotieven en tenders.

Voorschriften betreffende de inrichting van locomotieven en tenders.

38. 1. Elke locomotief moet voorzien zijn: o. van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen en aan de voorzijde van spoorstaaf1 ruimers en lantaarnijzers;

b. van eene stoomfluit en van eene helder klinkende seinbel, beide onder het onmiddellijk bereik van den machinist;

c. van een aan de vuurkast goed aansluitenden aschbak, die aan de voorzijde en zoo noodig aan de achterzijde met eene trekklep opengaat;

d. van eene inrichting om het uitvliegen van vonken en brandende stoffen uit den schoorsteen zooveel mogelijk te voorkomen;

e. van ten minste twee van elkander onafhankelijke voedingstoestellen, die elk voor zich voldoende zijn om ruimschoots in de water3ehoefte van den ketel te voorzien, en waarvan ;en minste één niet door het werktuig gedreven wordt. Elk dier voedingstoestellen moet voorzien zijn van eene afzonderlijk aan den ketel bevestigde afsluitinricbting (klep met kraan of afsluiter).

2. Het gebruik van gegoten ijzer is voor de wielen van de locomotieven en tenders niet geoorloofd. Van dit verbod kan door den Raad van Toezicht ontheffing worden verleend.

3. De wielen van locomotieven en tenders moeten van opstaande randen (flensen) van behoorlijke hoogte voorzien zijn. De dikte van de wielbanden bedraagt ten minste vijf en twintig millimeter.

4. Behalve met de gewone hoofdkoppeling is de locomotief aan den tender verbonden door eene borgkoppeling.

5. Elke tender is aan de achterzijde en elke tenderlocomotief is aan beide einden voorzien van spoorstaafruimers en lantaarnijzers.

6. Elke tender en elke tenderlocomotief is voorts aan beide einden voorzien van veerkrachtige stoot- en trekinrichtingen.

7. Bovendien is elke tender en elke tenderlocomotief voorzien van eene handrem, die steeds gemakkelijk en snel in werking kan”worden gebracht.

Voorschriften betreffende de inrichting van de ketels der locomotieven.

39. 1. De ketel van elke locomotief moet voorzien zijn:

a. van een met goed leesbaar volgnummer gemerkten manometer, die, rechtstreeks met den ketel verbonden, de drukking van den stoom duidelijk aangeeft en die ten minste twee atmosferen meer kan aanwijzen dan de grootste toegelaten werkelijke drukking, welke laatste op de wijzerplaat door een duidelijk merk moet zijn aangewezen ;

4. van eene gebogen afsluitbare pijp met flens van veertig millimeter middellijn en vijf millimeter dikte om daaraan een controlemanometer te kunnen verbinden;

c. van een waterpeilglas met afsluit- en doorblaaskranen, en van ten minste twee proefkranen of een tweede peilglas; de waterpeilglazen en de proefkranen moeten van elkander onafhankelijk, dus niet aan dezelfde pijp aangebracht zijn; de waterpeilglazen moeten bovendien, tenzij de Raad van Toezicht hiervan ontheffing verleent, voorzien zijn van een schermkoker, zoodanig ingericht, dat het water-, peil goed waarneembaar blijft;

d. van een zelfwerkend middel, waardoor watergebrek in den ketel, onafhankelijk van machinist of stoker, wordt kenbaar gemaakt; daartoe kunnen onder andere dienen één of ‘meer in de hemelplaat van de vuurkast aangebrachte proppen, waarin zich een bij eene bepaalde temperatuur smeltbaar metaal bevindt;

e. van ten minste twee veiligheidskleppen, voldoende aan de bepalingen van artikel 40.

2. Zoowel de waterstand als de stoomdrukking moeten van de standplaats van den machinist steeds kunnen worden nagegaan.

3. De toegelaten laagste waterstand alsmede de toegelaten grootste stoomdrukking moeten zoodanig zijn aangegeven, dat zij van de standplaats van den machinist zijn waar te nemen.

4. De steunschroefbouten, waarmede de wanden van de vuurkast en van den ketel onderling verbonden zijn, moeten over de lengte geheel of ten deele doorboord zijn.

5.” Het gebruik van gegoten ijzer is voor die deelen van den ketel, welke aan de stoomdrukking bloot staan, verboden.

‘ Veiligheidskleppen.

40. 1. De in artikel 39, eerste lid, onder e, bedoelde veiligheidskleppen moeten op den ketel zoodanig worden geplaatst, dat zij, wanneer de ketel in werking is, gemakkelijk kunnen worden onderzocht.

2. De kleinste waarde, te nemen voor de middellijn van elk der beide klepopeningen, wordt berekend naar de formule:

rf=190\/ p +1,03

waarin voorgesteld wordt door:

d de middellijn in millimeters;

p de overdruk van den stoom in kilogrammen per vierkanten centimeter;

R het roosteroppervlak in vierkante meters.

3. Heeft een ketel meer dan twee veiligheidskleppen, dan moet de som van de oppervlakten der klepopeningen ten minste gelijk zijn aan de som van de oppervlakten, die de openingen zouden moeten hebben, indien de ketel van slechts twee kleppen zou worden voorzien.

4. De middellijn eener klepopening mag nooit kleiner zijn dan veertig millimeter.

6. De veiligheidskleppen moeten met vlakke randen op hare zittingen sluiten; de breedte van het draagvlak mag ten hoogste het twintigste gedeelte van de middellijn der opening bedragen, doch mag in geen geval grooter zijn dan drie millimeter. Voor de toepassing van veiligheidskleppen van bijzondere constructie, waarvan de kleppen met schuine randen op hare zittingen sluiten, kan door den Raad van Toezicht vergunning worden verleend.

6. De kleppen moeten direct of indirect door veeren worden belast; deze zijn ^oodanig te maken, dat de klep ten minste over eene hoogte gelijk aan het veertigste deel van de middellijn der opening kan lichten, vóórdat de drukking op de klep met tien procent van den keteldruk toeneemt. De kleppen moeten ten minste over eene hoogté gelijk aan het twintigste deel van de middellijn harer opening kunnen lichten, met een minimum van drie millimeter, en geborgd zijn tegen het wegslingeren voor het geval, dat een veer mocht breken.

Aanschaffing van locomotieven en tenders.

41. 1. Geen locomotieven of tenders worden door bestuurders van den spoorwegdienst aangeschaft dan nadat het type door den Minister is goedgekeurd.

‘2. Zij zenden daartoe voldoend toegelichte teekeningen van het toe te passen type aan den Minister ter goedkeuring in en geven daarbij tevens op:

a. welk aantal locomotieven of tenders van het voorgestelde type zal worden aangeschaft;

b, binnen welken tijd zij zich voorstellen het onder a bedoelde aantal locomotieven of tenders te doen aanmaken.

3. Voor aanschaffing van een grooter aantal dan ingevolge het bepaalde bij het tweede lid onder a is opgegeven of voor verdere aanschaffing, na het verstrijken van den ingevolge het bepaalde bij het tweede lid onder b opgegeven termijn, wordt opnieuw goedkeuring van de teekeningen vereischt. 4. Van elk aangeschaft nieuw type zenden bestuurders duidelijke teekeningen, aangevende de onderdeelen en afmetingen van den ketel, de assen, wielen, veeren, enz , aan den Raad van Toezicht.

5. Van elke aangeschafte locomol ief en tender zenden zij voorts aan dien Raad eene opgave, behelzende:

A. Van de locomotief:

a. het volgnummer, het fabrieksnummer, den naam en de woonplaats van den vervaardiger en het jaar van vervaardiging;

b. de omschrijving van de inrichting der locomotief, haar gewicht met gevulden ketel en voor tenderlocomotieven bovendien met inbegrip van maximum-hoeveelheid brandstof en water, alsmede de belasting der wielen;

c. de middellijn van de stoomcylinders, de zuigerslaglengte, de afmetingen en de grondstoffen ‘van de wielen, assen en banden, benevens den radstand;

d. den vorm, de afmetingen en de wanddikte met omschrijving van de grondstof van den ketel en van zijne onderdeelen;

e. de grootte van het verwarmingsoppervlak; ƒ. de omschrijving van de veiligheidskleppen

met toebehooren en de daarbij voorkomende afmetingen ;

g. de omschrijving van de toestellen, dienende om het waterpeil waar te nemen, van die om het op de gevorderde hoogte te houden en van die, bestemd om watergebrek automatisch aan te geven;

h. de omschrijving en de afmetingen van de draagveeren en van de stoot- en trektoestellen en van het rem werk ;

t. de omschrijving van de eventueele inrichtingen voor rookverbranding, van die om het uitvliegen van vonken te verhinderen en van den aschbak, met opgave van de hoogte van het laagste punt boven den bovenkant van de spoorstaven;

k. de in den ketel toe te laten grootste werkelijke drukking van den stoom, in atmosferen ; (de werkelijke drukking is het verschil tusschen de absolute drukking van den stoom en die van den dampkring);

l. ingeval zij reeds elders heeft dienst gedaan, het aantal kilometers in het geheel door-