sneltrein 1

 

 

ALGEMEEN REGLEMENT VOOR DE SPOORWEGDIENSTEN.

Vastgesteld hij Koninklijk besluit van 12 Mei 1863, (Stbl. 58).

HOOFDSTUK I.

VAN DE DIENST OP DE STATIONS.

1.    De Minister van Binnenlandsche Zaken bepaalt, na de bestuurders der spoorwegdiensten te hebben gehoord, welke stations als hoofdstations zijn te beschouwen.
2.    Hetgeen ter instandhouding van de goede orde op de buitenpleinen van en den toegangen tot de stations van spoor wegondernemingen is voor te schrijven, wordt bij plaatselijke verordening, nadat de bestuurders der spoorwegdiensten vooraf zijn gehoord, bepaald.
3.    Elk station is voorzien van een goed loopend uurwerk, geregeld naar den middelbaren tijd naar welken de dienst op den spoorweg plaats heeft.
Op de hoofdstations is dit uurwerk, zoowel uit den trein als van de toegangen tot het station zigtbaar en des nachts, zoo lang de dienst duurt, verlicht.
4.     Aan den ingang of in de vestibule van elk station is de vrachtprijs van daar naar alle stations van den spoorweg, en naar dia stations van andere spoorwegen, naar welke aldaar plaatsbewijzen worden afgegeven voor alle klassen, en zoowel voor de gewone als voor de sneltreinen, in Nederlandsch geld uitgedrukt, op eene duidelyke wijze zigtbaar.
Bij spoorwegdiensten, welke betaling van vracht in vreemde munt aannemen, is de koers tegen welken die munt wordt aangenomen’ ter plaatse waar de vracht wordt betaald, in Nederlandse!  geld op zigtbare wijze uitgedrukt.
5.     Een gedrukt exemplaar der dienstregeling, houdende aanwijzing van den tijd van vertrok on aankomst der treinen voor elk station en de aansluiting der treinen aan binnen- en buitenlandsche spoorwegdiensten, is steeds voorbanden in de vestibule en in alle wachtkamers van elk station.
6.     De toegangen, vestibules en gaanderijen, die voor de reizigers dienen, en de wachtkamers zijn des nachts van dertig minuten vóór tot ten minste tien minuten na het ver¬trek van eiken trein verlicht.
7.      De naam van elk station wordt met duidelijke, uit den trein leesbare letters aangeduid.
8.     De doorloopende sporen moeten tien minuten vóór de komst of het vertrek van treinen vrij en onbelemmerd zijn.
Uitzonderingen van weg en plaatselijke omstandigheden, kunnen door den Minister van Binnenlandsche Zaken worden toegelaten.
9.     Bij dun zamenloop van spoortakken wordt een merkpaal gesteld, welke de grens aanwijst hoever in eiken tak de loco¬motieven, tenders, rijtuigen en wagons kunnen vooruitge¬schoven worden, zonder aan het doorgaan van andere hinder¬lijk te zijn.
Verder dan die paal mag niet gelijktijdig op de beide spoor¬takken gereden worden.
10.     Op elk station, waar de raad van toezigt, na de be¬stuurders der spoorwegdiensten te hebben gehoord, het noodigacht, zijn eene inrigting om den om vang te onderzoe¬ken van de lading van open wagens en eene weegbrug voor het wegen van geladen wagens aanwezig.
11.      De raad van toezigt wijst, na de bestuurders der spoor-wegdienst te hebben gehoord , de stations aan , waar, zoo lang treinen op weg zijn, eene reserve-locomotief moet gereed staan om binnen hoogstens vijftien, minuten dienst te kunnen deen.
Op die stations zijn steeds de noodige werktuigen en mate¬rialen aanwezig tot opruiming en voorloopige herstelling van den weg, ingeval van ongeluk.
12.     Op elk hoofdstation is een register, waarin worden opgeteekend:
de juiste tijd van vertrek en aankomst van eiken trein;
het nummer en de soort der treinen, het aantal en de soort der rijtuigen on wagens van elken trein;
het volgnummer on de naam der locomotieven ;
het volgnummer van elk rijtuig en eiken wagen;
de duur en de oorzaken van elke vertraging van moer dan tien minuten voor die personen-treinen, welke minder dan vijftig mijlen en van meer dan vijftien minuten voor die personen-treinen, welke moor dan vijftig mijlen hebben afgelegd.
13.     De chef van het station of zijn plaatsvervanger is steeds tegenwoordig bij de aankomst en het vertrek der treinen.
14.     Het vertrek van personen- ongemengde treinen wordt, zoo mogelijk, tweemaal door klokkengelui aangekondigd , de oorsto maal vijftien minuten , de tweede maal vijf minuten vóór den vertrektijd.
Waar dit niet kan geschieden, wordende reizigers door andere deelmatige middelen gewaarschuwd.
15.     Voor het brengen der bagaadje van de rijtuigen op het stationsplein naar het bagaadje-bureau bij het vertrek, of naar de rijtuigen op het stationsplein bij de aankomst der treinen kan door de bedienden van den spoorweg, die van een kennelijk teeken zijn voorzien, ten hoogste tien centen worden gevorderd, voor zoo ver door de voorwaarden., waar¬op de vergunning tot uitoefening der dienst is verleend of door latere opzettelijke bedingen de ondernemers der spoor¬wegdienst niet tot kostelooze overbrenging der bagaadje verpligt zijn.
16.     Ieder reiziger, die zich tusschen dertigen vijf minuten vóór den bepaalden vertrektijd van een trein aanmeldt, heeft regt con plaatsbewijs tegen betaling van den vrachtprijs te ontvangen.
Alle bagaadje van reizigers, welke tusschen dertig en
vijftien minuten vóór den bepaalden vertrektijd van een trein wordt aangegeven, moet daarmede onder de voorwaarden bij het tarief bepaald, worden verzonden.
17.      Elk bagaadjebriefje, bij de aankomst van een trein aangeboden , geeft regt op aflevering der bagaadje met den meesten spoed.
18.      Op elk station is bij den stationschef een klagtenboek , waarin alle aanmerkingen of klagten over de dienst op den spoorweg kunnen opgeschreven worden. Die hiervan gebruik maakt, moet zijne vaste woonplaats opgeven en zijne aan-merking of klagt onderteekenen.
Dat klagtenboek is op elk blad genommerd, on op de eerste en laatste bladzijde door een der leden van den raad van toezigt gewaarmerkt.
Het wordt steeds op de eerste aanvrage tor inzage gegeven aan de personen, genoemd in art. 10 der wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98), aan de ambtenaren van het openbaar ministerie, den kantonregter en de commissarissen van politie, of, waar geen commissaris van politie is, aan den burgemeester.
19.     Het is aan de reizigers op de straf, bedreigd in art. 55 der wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad no. 98), verboden
a. zich naar de wachtkamers en gaanderijen, van waar de treinen toegankelijk zijn , op eene andere wijze dan vol¬gens het voorschrift, te begeven ;
b. tabak te rooken in die wachtkamers , waar dit niet is toegelaten ;
c. aan mannen , zich in de vertrekken of localen , uitslui¬tend voor vrouwen bestemd, te begeven ;
d. in de localen, niet voor het publiek geopend, binnen te treden ;
e. zich in een staat van dronkenschap te bevinden of rumoer te maken op de stations.
20.     Een uittreksel uit dit Reglement, bevattende de voor-schriften door de reizigers in acht te nemen , is in de wacht-kamers van elk station op eene zigtbare plaats voorhanden.
In dat uittreksel worden de art. 34 tot en met 36 en 50 tot en met 57 der wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) opgenomen.

HOOFDSTUK II.
VAN HET TOEZIGT OP DE BAAN EN DE BEDIENING DER SEINEN.

21.     De weg en de daartoe behoorende werken worden in zoodanigen staat gehouden , dat hij met de grootste snelheid , in art. 93 bepaald , kunne bereden worden.
Die gedeelten, welke wegens vernieuwing of herstelling, of om andere redenen tijdelijk met die grootste snelheid niet kunnen bereden worden, zijn, zoowel bij dag als bij nacht, gedurende de dienst, door duidelijke kenteekenen aange¬wezen.
22.     Op elk station zijn de noodige materialen tot het ver-nieuwen van het spoor over eene lengte van tien ellen.
23.     Langs den weg mag geen hout, ijzer of steen opgesta¬peld on mogen geene gereedschappen of dergelijke voorwer¬pen nedergelegd worden dan op een afstand van een el vijftig duimen uit het midden van elk spoor, wanneer zij minder dan dertig duimen boven bet spoor uitsteken, of op een af¬stand van twee ellen uit het midden van elk spoor, wanneer zij hooger zijn.
De bepalingen van dit artikel zijn niet toepasselijk op de stadionterreinen.
24.     In de hoofdsporen mogen geene wissels zijn, waardoor, zoo zij niet goed staan, de treinen bij het verlaten van den wissel buiten spoor kunnen geraken.
In die sporen mogen , zoo min op de stadionterreinen als op den weg zelven, gezonken sporen of draaischijven zijn.
Op de tegenwoordige spoorwegen kunnen de wissels , go* zonken sporen en draaischijven, zoo als die bij de uitvaardiging van dit reglement aanwezig zijn, behouden blyven tot dat zij vernieuwing eischen.
Van de bepaling van de tweede zinsnede van dit artikel kan ten aanzien van de draaischijven door den Minister van Binnenlandsche Zaken ontheffing worden verleend voor die stationsterreinen waar alle treinen stil houden.
25.     De juiste stand der wissels, welke niet tot een station bchooren , is zoowel bij dag als bij nacht gedurende de dienst op een afstand van drie honderd ellen kenbaar.
Deze wissels zijn, wanneer zij niet bewaakt worden, ge¬sloten.
26.     Bij beweegbare bruggen is het nood ige voorhanden, om, zoowel bij dag als bij nacht, een sein te kunnen ge ven op zoodanigen afstand zigtbaar dat de machinist den komen¬den trein op twee honderd ellen voor de brug tot volkomen stilstand kun brengen.
27.     Op een afstand van drie honderd ellen van elk station wordt, zoowel bij dag als bij nacht, aan den machinist van een komenden trein geseind, of hij ’t station kan binnenrijden.
28.    Alle wegen over den spoorweg zijn van sterke, goed zigtbare sluitboomen of hekken voorzien.
29.    De sluitboomen of hekken tot afsluiting van openbare overwegen worden bediend door een wachter, die in de onmiddellijke nabijheid daarvan is geplaatst.
30.    Tot afsluiting van weinig bezochte openbare overwe¬gen kunnen, met goedvinden van den raad van toezigt, trek- sluitboomen worden gebruikt. De wachters, die deze trek- sluitboomon bedienen, moeten van hunne standplaats den overweg kunnen bewaken.
Bij elken openbaren overweg, door treksluitboomen afge¬sloten , is een waarschuwingstoestel geplaatst.
Het sein van dat waarschuwingstoestel wordt uan het bestuur der gemeente, waarin de overweg is gelegen,
opgegeven en door dat bestuur algemeen bekend gemaakt.
31.     Alle openbare overwegen zijn des nachts, zoolang zij gesloten zijn, verlicht.
De handlantaarn van den wachter kan daartoe gebruikt worden.
Bij weinig bezochte openbare overwegen, door trek- sluitboomen afgesloten, kan van deze bepalingen door den raad van toezigt ontheffing worden verleend.
32.     Bij elke schouwing van den weg volgens art. 38 wordt gelet of de hekken, dienende tot afsluiting der uitwegen, bedeeld in art. 26 der wet van 21 Augustus 1859 [Staatsblad n°. 98), behoorlijk gesloten zijn.
De openstaande hekken worden door hen, die met de schouwing belast zijn , gesloten en zoo noodig wordt proces-verbaal opgemaakt tegen de nalatigen, die tot het sluiten verpligt zijn.
33.     De sluitboomen of hokken, bij openbare overwegen geplaatst, zijn ten minste drie minuten vóór de komst van eiken trein gesloten.
Uitzonderingen van deze bepaling kunnen door den raad van toezigt voor de overwogen in de onmiddellijke nabij¬heid der stations worden toegestaan.
Tien minuten vóór de komst van eiken trein mogen geene kudden vee over den overweg gedreven worden.
34.     Het is verboden over de openbare overwegen , wan¬neer zij afgesloten zijn, te gaan, ten zij krachtens eene bijzondere bevoegdheid.
35.      Zoo lang de openbare overwogen afgesloten zijn, worden de rijtuigen, de paarden en het vee op een afstand van vijf en twintig ellen van het hok of den sluitboom gehouden.
Die afstand wordt, ten koste van de ondernemers der spoorwegdienst, door een paal aangewezen.
36.      De beweegbare bruggen worden ten minste vijftien minuten vóór de komst der treinen behoorlijk gesloten.
Het gesloten zijn der bruggen wordt aangcduid :
bij dag, door het horizontaal en loodregt op de rigting van het vaarwater stellen van twee armen van een sein¬paal voor het midden der bruggen;                                                                                                     bij nacht, door op de bruggen geplaatste roode seinlichten.
Het openstaan der bruggen voor de scheepvaart wordt aangeduid:
bij dag, door het nederwaarts hangen der armen van de bovengenoemde seinpalen, zoodat die armen niet zigtbaar zijn;
bij nacht, door het plaatsen van witte seinlichten bij de doorvaartsopeningen der bruggen.
Wanneer de beweegbare bruggen gesloten zijn, en dit door de voorgeschreven seinen aangeduid is, alsmede gedurende het sluiten of openen, mogen de schepen de bruggen niet digter naderen dan op oen afstand, naar gelang van plaatselijke omstandigheden door den Minister van Binnenlandsche Zaken te bepalen on door een paal aangewezen. Die paal on de meerpalen, bestemd voor het vastleggen der schepen, worden ten koste van de ondernemers der spoorwegdienst geplaatst.
37.       Het is aan de schippers verboden, hunne vaartuigen in de openingen van beweegbare bruggen stil te houden.
38.        Dagelijks, vóór dat de eerste trein verwacht wordt, moet de weg over zijne geheele lengte door de wachters nauwkeurig geschouwd worden.
Gedurende den loop van den dag heeft die schouwing ion minste nog eenmaal, en vóór elken nachttrein mede eenmaal plaats.
By elke schouwing wordt inzonderheid gelet op de vol¬komen veiligheid van het spoor.
39.        De komst van eiken trein wordt ten minste drie minuten te voren aan de wachters geseind.
40.        Aan eenen komenden trein moet, zoowel bij dag
als hij nacht, op een. afstand van ten minste drie honderd ellen door de wachters kunnen worden geseind , om lang¬zaam te rijden of geheel stil te houden.
41.        Op den weg zijn mylpalen geplaatst, aanduidende gehele en tiende deelen van mijlen.
42.       Waar de as van den weg in een hollend vlak ligt, zijn wijzers geplaatst, waarop van weêrszijden de graad van helling wordt aangeduid, met bijvoeging van de lengte der holling.
Wanneer die helling zich niet doorloopend uitstrekt over eene lengte van zes honderd ellen en op die lengte de hoogte van drie ellen niet bereikt, behoeven geene wijzers te worden geplaatst.
De palen, in het vorig artikel genoemd, en de helling- wijzers zijn van den trein duidelijk zigtbaar.

HOOFDSTUK III.
VAN DE INRIGTING VAN EN HET TOEZIGT OP                                                 DE LOCOMOTIEVEN, TENDERS, RIJTUIGEN EN WAGENS.

43.      Alle locomotieven, tenders, rijtuigen on wagens, voor de dienst op de spoorwegen in gebruik, worden steeds in zoodanigen staat gehouden, dat de treinen, waarvoor zij bestemd zijn, ton allen tijde met de grootste snelheid, in art. 93 bepaald, kunnen vervoerd worden.
44.      Wanneer de locomotieven voor het eerst na de indienststelling vijf en zeventig duizend mylen en daarna telkens, wanneer zij zestig duizend mijlen hebben afge¬legd, worden de ketels op nieuw opgenomen.
Zoodanige opneming geschiedt mede na elke aanmerke¬lijke herstelling van den ketel.
Zij geschiedt in elk geval telkens binnen een tijdsver¬loop van ten hoogste drie jaren.
45.       Bij de opneming, volgens het vorige artikel, wor¬den alle andere deelen van de locomotief mede nauwkeurig opgenomen. De uitslag van deze opneming wordt opgeteekend in het register, in art. 56 vermeld.
46.       De termijn, voor de opneming in art. 44 bepaald, begint telkens op nieuw te loopen nadat de locomotieven eene aanmerkelijke herstelling hebben ondergaan, waarbij het loopende werk uit elkander wordt genomen en eene opneming van den ketel plaats heeft.
47.       In de werkplaats van elken spoorweg is een open kwikmanometer zoodanig geplaatst, dat de stoomruimte van elke gestookte locomotief door eene buis daarmede verbon¬den kan worden.
48.      De grootste stoomspanning, welke ten gevolge van de opneming van den ketel is toegelaten, wordt op eene voor den machinist zigtbare plaats op de locomotief aangeduid.
49.       Elke locomotief heeft ten minste twee veiligheids-kleppen, welke van vlakke zittingen zijn voorzien, en waarvan in elk geval ééne voor den machinist van zijne standplaats bereikbaar is.
De kleppen zijn zoodanig ingerigt, dat zij ten minste vier strepen in verticale rigting kunnen bewegen.
Bij de tegenwoordige spoorwegdiensten kunnen de vei-ligheidskleppen, zoo als die bij de uitvaardiging van dit reglement op de locomotieven aanwezig zijn, behouden blijven tot dat zij vernieuwing eischen.
50.       Op elke locomotief kunnen de waterstand en de stoomspanning van de standplaats van den machinist steeds worden nagegaan.
51.        Elke locomotief is voorzien van spoorstaafruimers en van eene stoomfluit, voor den machinist gemakkelijk bereikbaar.
De vuurhaard van elke locomotief is voorzien van goed aansluitende aschbakken welke van voren, en zoo noodig. ook van achteren met een trekklep opengaan.
Dc bepaling van de tweede zinsnede van dit artikel is voor de tegenwoordige spoorwegdiensten alleen verpligtend bij vernieuwing of aanmerkelijke wyziging van loco¬motieven.
52.         De schoorsteenen der locomotieven zijn zoodanig in- gerigt, dat het uit vliegen van vonken en brandende stoffen zoo veel mogelijk wordt verhinderd.
53.         De locomotieven. die met veel rookgevende brand¬stoffen worden gestookt, zijn voorzien van toestellen tot het verbranden van den rook.
54.         De drijfwielen zijn van opslaande randen van be-hoorlijke hoogte voorzien.
55.         De tenders en tender-locomotieven zijn van goede rem toestellen voorzien.
56.          Van elke locomotief wordt een register of staat van dienst gehouden, waarin worden opgeteekend:
het volgnommer on de naam;
de naam van den fabriekant;
de dagen van de opnemingen;
de dag der indienststelling;
de herstellingen van de verschillende deelen ;
het aantal afgelegde mijlen.
57.         Van de assen der locomotieven en tenders wordt een afzonderlijk register gehouden , waarin worden opge¬teekend:
het volgnommer van elke as; de naam van den fabriekant; de dagen van de opnemingen; de dag der indienststelling; de herstellingen; het aantal afgelegde mijlen.
58.        Elk rijtuig en elke wagen, die voor het eerst na de indienststelling twee en twintig duizend mijlen hebben afgelegd, worden door of van wege de bestuurders op nieuw opgenomen.
Gelijke opneming geschiedt daarna telkens, wanneer zij achttien duizend mijlen hebben afgelegd.
59.         Al de rijtuigen en wagens rusten op veren en zijn aan beide einden van veerkrachtige stootkussens en veer¬krachtige koppelingen voorzien.
Wagens, die alleen in werktreinen gebruikt worden, behoeven niet van veerkrachtige stootkussens te zijn voorzien.
Aan beide einden der rijtuigen en wagens zijn boven¬dien veiligheidskettingen bevestigd, die loshangende steeds ten minste vijf duimen van de bovenzijde der spoorstaven verwijderd blijven.
60.         De horizontale afstand van de middenpunten der stootkussens en de hoogte daarvan boven den bovenkant der spoorstaven zijn:
de horizontale afstand, één el zeven honderd vijf en twintig strepen, waarbij eene afwijking van acht en twintig strepen boven en van vijf en twintig stropen onder die maat toegelaten wordt; de hoogte boven de spoorstaven, één el vijf duimen, waarbij voor ledige wagens eene af¬wijking van drie duimen boven en voor geladen wagens van één palm onder deze maat toegelaten wordt.
Bij de tegenwoordige spoorwegdiensten kunnen de rij¬tuigen en wagons met de stootkussens, zoo als die bij de uitvaardiging van dit reglement in gebruik zijn, behouden blijven tot dat zij vernieuwing eischen.
61.         De portieren der rijtuigen zijn zoodanig ingerigt dat zij alleen van buiten kunnen geopend worden. Elk portier is, behalve van de gebruikelijke wagensluiting, voorzien van een wervel.
62.          Er zijn .ten minste drie klassen van rijtuigen.
De rijtuigen van alle klassen zijn overdekt;
die van de eerste klasse zijn inwendig bekleed en van banken met gevulde zittingen, rug- en zijbekleedingen en van vallende glazen voorzien;
Gelijke opneming geschiedt daarna telkens, wanneer zij achttien duizend mijlen hebben afgelegd.
59.          Al de rijtuigen en wagens rusten op veren en zijn aan beide einden van veerkrachtige stootkussens en veer¬krachtige koppelingen voorzien.
Wagens, die alleen in werktreinen gebruikt worden, behoeven niet van veerkrachtige stootkussens te zijn voorzien.
Aan beide einden der rijtuigen en wagens zijn boven¬dien veiligheidskettingen bevestigd, die loshangende steeds ten minste vijf duimen van de bovenzijden der spoorstaven verwijderd blijven.
60.         De horizontale afstand van de middenpunten der stootkussens en de hoogte daarvan boven den bovenkant der spoorstaven zijn:
de horizontale afstand, één el zeven honderd vijf en twintig strepen, waarbij eene afwijking van acht en twintig strepen boven en van vijf en twintig stropen onder die maat toegelaten wordt; de hoogte boven de spoorstaven, één el vijf duimen, waarbij voor ledige wagens eene af¬wijking van drie duimen boven en voor geladen wagens van één palm onder deze maat toegelaten wordt.
Bij de tegenwoordige spoorwegdiensten kunnen de rij¬tuigen en wagons met de stootkussens, zoo als die bij de uitvaardiging van dit reglement in gebruik zijn, behouden blijven tot dat zij vernieuwing eischen.
61.          De portieren der rijtuigen zijn zoodanig ingerigt dat zij alleen van buiten kunnen geopend worden. Elk portier is, behalve van de gebruikelijke wagensluiting, voorzien van een wervel.
62.         Er zijn .ten minste drie klassen van rijtuigen.
De rijtuigen van alle klassen zijn overdekt;
die van de eerste klasse zijn inwendig bekleed en van banken met gevulde zittingen, rug- en zij-bekleedingen en van vallende glazen voorzien;
die van de tweede klasse zijn voorzien van banken met gevulde zittingen en van vallende glazen;
die van de derde klasse zijn voorzien van banken en moeten met glazen gesloten kunnen worden.
De bepaling van de vijfde zinsnede van dit artikel is voor de tegenwoordige spoorwegdiensten alleen verpligtend bij het bouwen van nieuwe rijtuigen der derde klasse. De rijtuigen dier klasse van de tegenwoordige spoorwegdien¬sten moeten in elk geval thans reeds ten minste met zeiltjes gesloten kunnen worden.
Het gebruik van rijtuigen met staanplaatsen is niet ge-oorloofd zonder toestemming van den Minister van Binnenlandsche Zaken.
63.         Op alle locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens worden de naam of de naamletters van de spoorwegdienst, waartoe zij behooren, het volgnommer, de naam en de dag van de laatste opneming op eene zigtbare plaats aangewezen.
64.      Op de rijtuigen worden duidelijk aangewezen: aan de buitenzijde de klasse, waartoe het rijtuig behoort; binnenin het aantal personen dat elke afdeeling van het rijtuig kan bevatten, en het volgnommer.
65.      Op de wagens worden het gewigt en het gewigt van de zwaarste lading, waarmede elke wagon beladen mag worden, aangewezen.
66.      Van elke soort van rijtuigen en wagens wordt een register gehouden, waarin worden opgeteekend :
de volgnommers;
de naam van den fabriekant;
de dag der indienststelling;
de dagen van de opnemingen bedeeld in art. 58.
de aanmerkelijke herstellingen ;
het aantal afgelegde mijlen.
67.      Van de assen der rijtuigen en wagens wordt een af-zonderlijk register gehouden, waarin worden opgeteekend:
het volgnommer van elke as; de naam van den fabriekant; de dag van de opneming; de dag der indienststelling; de herstellingen.
68.      Van alle aanmerkelijke herstellingen aan de ketels en het loopende werk der locomotieven, aan de veren, assen en wielen van de locomotieven, tenders, rijtuigen en wagens, wordt aan den raad van toezigt kennis gegeven, ten einde voor de opneming kunnen worden gezorgd.

HOOFDSTUK IV.
VAN DE TREINEN.

Algemeene bepalingen.
69.     De voorstellen tot bepaling van den tijd van vertrek en aankomst der op vaste tijden loopende treinen of tot wijziging dier bepaling, worden ten minste zes weken vóór het in werking treden der dienstregeling aan den Minister van Binnenlandsche Zaken ingezonden.
Daarbij worden overgelegd:
a. eene dienstregeling in dubbel, aanwijzende den juisten tijd van vertrek en aankomst van eiken trein voor elk station en de aansluiting van eiken trein aan de binnen- en buitenlandsche spoorwegdiensten:
b. eene grafische voorstelling der dienstregeling, aan wij-zende de onderlinge afstanden der stations in mijlen, de gedeelten dubbel spoor, de punten waar de treinen elkander kruisen, en de stations tot het innemen van water bestemd.
Van den voorgeschreven tijd van zes weken kan, wanneer het voorstel het gevolg is van plotselinge verandering in buitenlandsche spoorwegdiensten , afgeweken worden.
70.      Elke dienstregeling wordt dadelijk na hare vaststel¬ling door de bestuurders der spoorwegdiensten algemeen bekend gemaakt.
71.      Van het in werking brengen van buitengewone trei¬nen ten dienste van het publiek, wordt aan den raad van toezigt- kennis gegeven.

§ 1. Van de zamenstelling der treinen.
72.      Een personentrein mag niet zijn zamengesteld uit meer rijtuigen en wagens dan door een getal van zestig as¬sen. een goederentrein , waarmede ook personen worden vervoerd, uit niet meer rijtuigen en wagens dan door een getal van honderd en vijftig assen worden aangewezen.
Mogt, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, eene afwijking van deze bepaling noodig zijn, dan onderwerpen de bestuurders der spoorwegdienst de redenen der afwijking aan het oordeel van den raad van toezigt.
73.      De locomotief wordt geplaatst aan het hoofd van den trein.
74.      Geen trein mag worden gestuwd, behalve op en bij de stations, bij hellingen en in geval van nood.
75.      De bepalingen van de artikelen 73 en 74 zijn niet van toepassing op werktreinen.
76.      Personentreinen mogen door niet meer dan eene lo-comotief getrokken worden.
In buitengewone gevallen , als bij ongunstig weder, vertra-ging of bij ongevallen, mag op dit voorschrift eene uitzonde¬ring worden gemaakt.
77.      Zoo eene tweede locomotief voor een trein is ge¬plaatst , wordt dit met opgave der redenen , in een bijzonder register opgetekend en aan het oordeel van den raad van toezigt onderworpen.
78.      Zijn twee locomotieven voor een trein geplaatst, dan wordt die, welke, bij gelijk vermogen , de grootste drijfwielen heeft, of zijn deze van gelijke middellijn, die welke het grootste vermogen heeft, aan het hoofd van den trein geplaatst.
De machinist van de voorste locomotief geeft alleen de noodige seinen.
79.     Meer dan twee locomotieven mogen in geen geval voor een trein geplaatst worden.
80.     Tusschen de locomotieven en het eerste rijtuig wordt ten minste een wagen geplaatst.
Achter aan den trein bevindt zich ten minste een zoo veel mogelijk beladen wagen.
Wagens met buitengewone koppeling, zoo als houtwagens, die door vaste koppelstangen zijn verbonden, wagons moe lang hout, spoorstaven en dergelijke beladen, worden uit¬sluitend met goederentreinen vervoerd en zoo veel mogelijk achter aan den trein geplaatst. Zoo op een spoorweg geen goederentreinen plegen te loopen ,worden deze wagons in gemengde treinen, en zoo veel mogelijk achter aan en in elk geval achter de rijtuigen geplaatst, dus dat ten minste een ge¬sloten of hooge goederenwagen tusschen de wagens en het eerst voorafgaande rijtuig zij.
81.      In elken personen-en gemengden trein, uit niet meer rijtuigen en wagens samengesteld, dan door een getal van dertig assen worden aangewezen , zijn, behalve de tender of de locomotief, de eerste en laatste wagen van een remtoestel voorzien.
Is een personen- of gemengde trein uit rneer rijtuigen en wagens zamengesteld, dan door een getal van dertig assen warden aangewezen , dan wordt voor elke vermeerdering met een getal van twee tot en met veertien assen een wagon of een rijtuig met remtoestel zoo veel mogelijk in het midden van den trein geplaatst.
82.      In elken goederentrein , met niet meer wagens zamen- gesteld dan door een getal van dertig assen worden aan¬gewezen, zijn, behalve de tender of de locomotief, de eerste en laatste wagen van een remtoestel voorzien.
Is een goederentrein uit meer wagens zamengesteld, dim door een getal van dertig assen worden aangewezen, dim Wordt voor elke vermeerdering met een getal van twee tot en met dertig assen een wagen met remtoestel zoo veel mogelijk in het midden van den trein geplaatst.
83.      Het gebruik der remtoostellen op elken trein wordt door den machinist geregeld.
Hij alleen mag de seinen tot het in werking brengen der remtoostellen geven.
Het remtoestel van den tender wordt door den stoker bediend.
84.      Zoo lang de trein in beweging is, mag geen der remmers zijn post verlaten.
De remmers zijn steeds gereed om dadelijk te handelen op het sein van den machinist.
85.      De remmers zijn zoo geplaatst, dat zij den geheelon trein kunnen overzien.
86.      Het rijden van locomotieven met den tender voorop is alleen geoorloofd voor de dienst op de stations, bij werk- treinen en wanneer een hulplocomotief den trein te gemoet gaat.
87.      Elke locomotief is des nachts van ten minste eene helder brandende lantaarn voorzien. De lantaarn wordt des nachts ook op den laatsten wagen van een trein dus geplaatst, dat zij voor- en achterwaarts zoowel van den weg als van den trein zigtbaar zij.
Wanneer eene locomotief des nachts alleen vervoerd wordt, is de lantaarn achter op den tender geplaatst.
88.      Op elken trein zijn de noodige gereedschappen om in kleine ongevallen te kunnen voorzien.
89.      Alleen met goederen- en gemengde treinen mogen verzonden worden:
niet verdunde zuren, gepakt in flesschen, met manden¬werk omvlochten, mits zich geene andere scheikundige stoffen in den zelfden wagen bevinden:
chloorzure potasch, zorgvuldig eerst in papier en daarna in houten doozen of kisten gepakt;
naphta en aether, in glazen flesschen en gepakt in blikken tussen, roet klei of zaagsel gevuld;
gezuiverde petroleum, mits in overdekte wagons, waarin zich geene andere goederen bevinden (l).
De wagens, waarin deze stoffen zijn geladen, worden in gemengde treinen steeds aan het einde van den trein geplaatst en zijn van een kennelijk teeken voorzien.
90.       Alleen met goederentreinen mogen verzonden worden: strijkzwavelstokjes of zoogenaamde lucifers, mits gepakt
in sterke blikken bussen of in stevige houten kisten, met papier beplakt van ten hoogste drie honderd en zeventig leerling palmen inhoud en van een kennelijk teeken voorzien;
slaghoedjes, mits zorgvuldig in stevige kisten of vaten gepakt; phosphorus, eerst in goed gesoldeerde en met water gevulde blikken bussen, vijf of zes ponden houdende, en daarna in stevige met zaagsel gevulde kisten gepakt;
die kisten zijn behoorlijk van graauw linnen omgeven en van handvatsels voorzien; zij mogen ton hoogste vijftig ponden wegen, en zijn van buiten zoowel met het woord „phosphorus” als met de aanwijzing „boven” gemerkt; — ongezuiverde petroleum –- (2)
De wagens, waarin deze goederen geladen zijn, worden zoo veel mogelijk aan het einde van den trein geplaatst; zij zijn overdekt en van een kennelijk teeken voorzien.
91.      Over den spoorweg mogen buskruid, schietkatoen, knalzilver, knalkwikzilver, knalgoud, vuurwerken, nitro-gly- cerine en met olie doortrokken afval van gesponnen wol, niet verzonden worden.
(1) Bij Kon. Besluit van 30 Augustus 1864 (Stbl. nd. 90) is dit artikel al zoo gewijzigd.
(2) Alzoo aangevuld bij Kon. Besluiten van 30 Augustus 1864 , (Stbl. n°. 90) en van 11 Mei 1867 (Slbl. n°. 48).

Dit verbod is niet van toepassing op:
1°. de patronen en munitiën, die door troepen , batte¬rijen en parken op marsch worden medegevoerd;
2°. voor ’s Rijks dienst te verzenden buskruid tot eene hoeveelheid van vijf en twintig ponden on patronen tot een getal van vijf duizend, ingepakt op de volgene wijze: het buskruid in een’ linnen zak , geplaatst in eene buskruid-ton, welke gepakt is in eene daarvoor bepaald vervaardigde kist, duidelijk voorzien van het opschrift buskruid;
de patronen in dubbele goed gesloten kisten, met gelijk opschrift van het woord buskruid.
De kisten worden geplaatst op en gedekt met haren kleeden.
Het vervoer sub 2o. bedeeld geschiedt alleen met goe-derentreinen, dech niet in remwagens noch in wagens, waarin zich ligt ontvlambare stoffen bevinden. De wagons, waarmede het vervoer plaats heeft, worden in het laatste gedeelte van den trein geplaatst (1).
92.      Bij vervoer in strijd met de art. 89 tot en met 91, is, wanneer het onvoldeende der inpakking of de onjuist¬heid der aangifte uiterlijk niet bleek, alleen de afzender of expediteur voor de gevolgen verantwoordelijk, ten zij de bestuurders der dienst kennis droegen van de overtreding.

2 §. Van de snelheid, waarmede de treinen zijn te vervoeren.

93.      De grootste snelheid, waarmede gereden mag worden, is voor:
sneltreinen, vijf en zeventig mijlen in het uur; personentreinen, zestig mijlen in het uur;
(1) Dit artikel 91 U> alzoo gewijzigd bij Koninklijk besluit van 17 Januarij 1868 (Stbl. n°. 10).
geremde treinen, vijf en veertig mijlen in liet uur; goederentreinen , veertig mijlen in het uur.
Op hellingen, grooter dan van honderd vijftig op één, in bogten met stralen kleiner dan duizend ellen, mag de snelheid in geen geval meer bedragen dan vijf en veert mijlen in het uur.

Deze bepaling is niet toepasselijk op werktreinen.
97.      In geen geval mag verloren tijd worden ingehaald door het rijden met eene grootere snelheid, dan in art. 93 voor elke soort van treinen is bepaald.
98.      Geen trein mag vertrokken vóór den bepaalden tijd vóór dat het sein daartoe gegeven is.
99.      Tusschen twee treinen, die elkander in dezelfde rigting volgen , moet ten minste een afstand zijn van twee duizend ellen.
Zoo onderscheiden treinen na elkander van een station dezelfde rigting vertrekken, volgt een personentrein, personen- en goederentreinen niet dan tien minuten en de goederentrein de personentreinen niet dan vijf minuten na het vertrek van den onmiddellyk voorafgaanden trein.
100.     Treinen, welke door buitengewone gevolgd worde zijn van het daarvoor bestemde sein voorzien.
101.      Zoo lang de locomotieven voor den trein of op stations stil houden is de stoom afgesloten, de gangkraan in rust gesteld de rem van den tender vastgeklemd. De locomotieven staan daarbij steeds onder opzigt.
102.      Behalve ingeval van herstelling van den weg en ter voorkoming van gevaar, mogen de treinen alleen stil slaan of ophouden op of bij de stations.
103.       Bij het vertrek en het naderen van de stations, bij beweegbare bruggen , bij bogten van een straal van vijf honderd ellen of minder en in bosschen of ingravingen gelegen, moet de machinist van de stoomfluit gebruik maken.
104.      Met buitengewone treinen mag niet gereden worden, ten zij de weg behoorlyk is bewaakt, en de chef van elk station, waar de trein achtereenvolgens zal aankomen, van de komst is onderrigt, alvorens de trein liet onmiddellijk voorafgaande station verlate.
105.       Zoodra door eenige oorzaak de snelheid van een trein zoo zeer vermindert dat een voetganger dien kan bijhouden , verlaat een der beambten , door den hoofdconducteur aan te wijzen , den trein en volgt dien op een afstand van ééne mijl om het sein tot stilhouden voor komende treinen en locomotieven te geven.
106.      Wanneer door eenig ongeval de twee sporen zijn versperd, wordt het sein tot stilhouden op den afstand, in art. 107 bepaald, zoo voor- als achterwaarts van den stil¬staande» trein gegeven. Zoo spoedig mogelijk wordt aan de chefs der beide naaste stations van het ongeval kennis gege¬ven , en worden de noodige maatregelen genomen tot herstel van de dienst.
107.       Wanneer door eenige oorzaak het spoor ter linkerzijde van een in beweging zijnde trein versperd is, geeft de hoofd-conducteur van dien trein daarvan aan den chef van het naastbygelegen station kennis.
De machinist geeft het sein tot stilhouden aan alle treinen , die hij vóór zijn aankomst aan dat station ontmoet.
108.      Wanneer een machinist verpligt is den trein te deen stilstaan , maakt hij den hoofdconducteur met de redenen van stilstand bekend en deelt hora mede of eene hulplocomotief noodig zij.
Het aanvragen van eene hulplocomotief geschiedt steeds op last van den hoofdconducteur. Komt de hulplocomotief den stilstaanden trein tegemoet, dan is het weder in beweging brengen van den trein tot de aankomst van de locomotief verboden.

§ 3. Van het getal beambten en bedienden, op elken trein noodig.

109.      Op elken trein zijn ton minste aanwezig :
een hoofdconducteur ;
een machinist en een stoker voor elke locomotief;
en daarenboven , een remmer voor de bediening van elken verpligten remtoestel.
110.      Niemand mag als machinist met het bestuur van locomotieven worden belast, ten zij hij behoorlijke bewijzen van bekwaamheid hebbe gegeven.
111.      De stokers moeten met de behandeling der locomo¬tieven genoegzaam bekend zijn, om die, zoo noodig, te kunnen deen stilstaan en teruggaan.

§ 4. Van hetgeen in het belang der orde op elken trein is in acht te nemen.

112.      De beambten op den trein zijn, gedurende den loop va« den trein, aan den hoofdconducteur ondergeschikt.
Alle geschillen tusschen de reizigers en de beambten wor¬den gedurende de loop van den trein door den hoofdconduc¬teur en op de hoofdstations door den stationschef beslist.
113.      De rijtuigen zijn des nachts gedurende de dienst van den trein van binnen verlicht.
117.      Zonder schriftelijke vergunning van de bestuurders der spoorwegdienst mag niemand, behalve den machinist en den stoker, zich op de locomotieven en tenders begeven.
Deze bepaling is niet toepasselijk op de personen, aange¬wezen in art. 10 der wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98).
118.      De machinist moet de middelen hebben om de volgende seinen te geven :
1e. geef acht ;
2e. remmen vast;
3e. remmen los.

De overige beambten moeten de middelen hebben om het sein tot stilhouden te geven.
119.        In de rijtuigen mag geen grooter aantal reizigers plaats nemen dan, volgens art. 64 voor de afzonderlijke afdelingen der rijtuigen is aangewezen.
In elken trein is een voldoende aantal rijtuigen der 1ste en 2de klasse of afdeelingen van rijtuigen dier klassen , waarin niet gerookt mag worden.
120.      Reizigers, die wegens gebrek aan plaatsruimte ge-noodzaakt zijn in een rijtuig van eene lagere klasse plaats te nemen, dan waarvoor hun een plaatsbewijs is gegeven , kun¬nen den te veel betaalden vrachtprijs zoo mogelijk bij het eerste station, waar de trein stilhoudt, en in elk geval bij het station van aankomst terugbekomen. Zoo er meer reizi¬gers zijn dan in de wagens der klasse, waarin zij verlangen plaats te nemen , geplaatst kunnen worden, moeten zij zon¬der verhooging van vrachtprijs worden geplaatst in wagens eener hoogere klasse , zoo veel de beschikbare ruimte toelaat, tot zoo lang meer plaatsruimte in de wagens der klasse, waaraan behoefte bestaat, is te bekomen.
Bij gebrek aan plaatsruimte in al de rijtuigen geeft het plaatsbewijs, volgens art. 16 genomen op stations, geen hoofdstations zijnde, geen regt om met den daarop ver¬melden trein te worden vervoerd. Heeft het vervoer niet plaats, dan wordt door de spoorwegonderneming aan den reiziger de vrachtprijs teruggegeven.
Gelijke teruggave geschiedt zoo de reiziger, in het geval bij de eerste zinsnede van dit artikel voorzien, niet mogt verkiezen in een rijtuig van eene lagere klasse plaats te nemen.
121.      Personen, in kennelijk beschonken toestand, of behebt met ziekten of ongesteldheden , welke voor de andere reizigers hinderlijk of gevaarlijk kunnen zijn, worden niet in de rijtuigen toegelaten.
Zoo de niet toegelaten personen reeds van een plaats¬bewijs voorzien zijn, ontvangen zij den betaalden vracht¬prijs terug.
Zoo gedurende den loop van den trein, ontdekt wordt, dat zich in de rijtuigen personen bevinden. als in het eerste lid van dit artikel zijn bedeeld, worden zij daaruit op bot eerstvolgend station verwijderd. De vracht voor den nog af te leggen weg wordt bun terugbetaald.
Mede worden in de rijtuigen niet toegelaten honden en andere dieren, geladen vuurwapenen en voorwerpen, welke door hun aard of door hun omvang gevaarlijk of lastig voor de reizigers zijn.
De conducteurs zijn bevoegd te onderzoeken of de vuur-wapenen, ook zoo zij in zakken of kisten zijn besloten, geladen zijn.
Zoo gedurende den loop van den trein ontdekt wordt, dat zich in de rijtuigen honden of andere dieren, geladen vuurwapenen of voorworpen bevinden, welke door hun aard of door hun omvang gevaarlijk of lastig voor de reizigers zijn, worden zij zoodra mogelijk daaruit verwijderd, en in de goederenwagens overgebragt. In dat geval is de reiziger, wien het aangaat, verpligt tot betaling van de vracht voor den door de dieren of door de goederen afgelegden en nog af te leggen weg.

122      Het is aan de reizigers, op de straf, bedreigd in art. 55 der wet van 21 Augustus 1859 {Staatsblad n°. 98) verboden:
a. zonder behoorlijk plaatsbewijs in de rijtuigen van een trein plaats te nemen
b. in een rijtuig van eene hoogere klasse dan door het plaatsbewijs is aangewezen, te gaan, tenzij dit, tegen bijbetaling van den hoogeren vrachtprijs , worde toegelaten;bij het plaats nemen in de rijtuigen af te wijken van de orde, door de spoorwegbeambten aangegeven;
c. verder te reizen dan het station, waarvoor het plaatsbewijs genomen is, zonder hiervan kennis te geven aan den hoofdconducteur en de bijkomende vracht te betalen ;
d. te weigeren hun plaatsbewijs te vertoonen en af te geven, wanneer het door den spoorwegbeambte van hen wordt verlangd, of hun plaatsbewijs te verminken of onlees¬baar te maken;
e. de portieren der rijtuigen te openen;
f. in de rijtuigen te gaan of die te verlaten, wanneer de trein niet in volkomen stilstand is, of in de rijtuigen te gaan of die te vorlaten aan eene andere zijde dan daar¬voor is aangewezen;
g. te rooken in andere rijtuigen dan daarvoor zijn aan-gewezen ;
h. aan de mannen om plaats te nemen in die rijtuigen of afdeelingen daarvan, welke voor vrouwen alleen zijn aangewezen.
123.      Een uittreksel uit dit reglement, bevattende de voorschriften, door de reizigers in acht te nemen is in elk rijtuig op eene zigtbare plaats voorhanden.
Ten aanzien van dat uittreksel geldt de bepaling van het tweede lid van art. 20.

HOOFDSTUK V.
VAN DE BESTELLING DER GOEDEREN EN HET LOON DAARVOOR TE GENIETEN.

124.      Bestelgoederen , welke een half uur vóór het ver¬trek van een trein aan het station van afzending zijn be¬zorgd, worden met dien trein vervoerd.
Op die bepaling kan alleen voor sneltreinen on bij groot o drukte eene uitzondering gemaakt worden ten opzigte der goederen, welke niet zoogenaamde spoedbestellingen zijn.
125.      Wanneer op het adros niet vermeld staat, dat de goederen zullen worden afgehaald, worden de gewone bestelgoederen, niet moor dan vyf honderd ponden wegende, na de aankomst van eiken trein achtereenvolgens bezorgd.
De spoedbestellingen worden, voor de andere goederen, onmiddellijk bezorgd, zoodra de goederen behoorlijk zijn geboekt-
126.      Op de hoofdstations wordt geen afzonderlijk loon voor de bestelling gevorderd.
Op de andere stations behoeft de bestelling niet door de zorg van de bestuurders der spoorwegdienst te geschieden, maar kunnen de goederen worden afgegeven aan een of meer personen, aan te wyzen door het bestuur van de gemeente, binnen welke het station gelogen is, en belast met de bestelling tegen een loon, door dat bestuur te bepalen.
127.      Bestelgoederen en bagaadje, welke niet binnen drie dagen na den dag, waarop de bestelling en afgifte moest geschieden, aan bet station van bestemming zijn ontvangen, worden beschouwd als vermist.
128.      Voor het vervoer van goederen, die met een vracht¬brief verzonden worden, gelden de bepalingen, in den vracht¬brief vervat.

HOOFDSTUK VI
VAN DE BEHANDELING DER VOORWERPEN IN DE STATIONS OP IN DE RIJTUIGEN ACHTERGELATEN, EN DER ONAFGEHAALDE VRACHTGOEDEREN.

129.      Alle niet aan bederf onderhevige voorwerpen , welke op den weg, in of bij de stations of in de rijtuigen zijn achtergelaten, en alle niet opgevraagde bagaadje worden door de zorg en ten koste van de ondernemers der spoor¬wegdienst gedurende drie jaren bewaard.
Gene opgave van die voorwerpen wordt door de zorg en ten koste van die ondernemers eenmaal ’s jaars in een of meer dagbladen en achtervolgens in de vestibules van de hoofdstations openbaar gemaakt.
Na verloop van drie jaren kunnen die voorwerpen wor¬den verkocht. De verkoop geschiedt in het openbaar. De opbrengst wordt na aftrek der kosten in de consignatie¬kas gestort.
130.      Alle voorwerpen in het vorige artikel bedoeld, voor zoover die blijken aan bederf onderhevig te zijn, kunnen onmiddellijk worden verkocht. De verkoop geschiedt op gelijke wijze en de bestuurders der spoorwegdienst zijn tot openbaarmaking van het verkochte verpligt zoo als in het vorige artikel is bepaald.
De opbrengst der verkochte voorwerpen wordt, na aftrek der kosten, in de consignatiekas gestort.
181.      De bestuurders der spoorwegdienst zijn niet aansprakelijk wegens verlies of beschadiging van vrachtgoederen, welke niet op den bepaalden tijd zijn afgehaald.

HOOFDSTUK VII.
VAN DE BEëEDIGING DER BEAMBTEN EN BEDIENDEN VAN DEN SPOORWEG.

132.      Bij elken spoorweg worden beëedigd:
de chefs en onderchefs der stations, of zij die met die betrekking zijn bekleed;
de bestellers der goederen ;
de portiers der stationsgebouwen;
de opzigters en wachters;
de hoofdconducteurs en conducteurs op de treinen.
133.      De Minister van Binnenlandsche Zaken kan, na de bestuurders der spoorwegdienst te hebben gehoord, andere clan de in het vorig artikel genoemde beambten en bedien¬den van den spoorweg ter bëediging aanwijzen.
134.      De eed wordt afgelegd voor den regtor van een der kantons binnen welke de spoorweg ligt.
leder deel dien op de wijze zijner godsdienstige gezindte als volgt:
„Ik zweer (beloof) dat ik al de pligten, welke de wet, houdende bepalingen omtrent het gebruik der spoorwegen, de algemeene maatregel van inwendig bestuur, in art. 21 dier wet aangewezen, en de krachtens die wet en dien maatregel vastgestelde reglementen en verordeningen mij opleggen, eerlek en vlijtig zal vervullen;
„Zoo waarlijk helpe mij God Almagtig!” (Dat beloof ik.)

HOOFDSTUK VIII.
BEPALINGEN VAN VERSCHILLENDEN AARD.

135.      De beambten en bedienden van een spoorweg, die in aanraking komen met het publiek, zijn, gedurende de uitoefening hunner dienst, van eene dienstkleding voorzien.
De dienstkleding wordt door de bestuurders der spoor-wegdiensten vastgesteld en eene beschrijving daarvan aan den raad van toezigt medegedeeld.
136.      De hoofdconducteurs zijn gedurende de uitoefening hunner dienst steeds voorzien van een exemplaar van de wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) on van dit reglement.
De overige beambten zijn gedurende de uitoefening hun¬ner dienst steeds voorzien van een uittreksol uit die wet, uit dit reglement en uit het dienstreglement, bedoeld in art. 5 dier wet, alsmede van een exemplaar hunner bijzondere instructie, ieder voor zoo ver betreft de dienst, welke hun is opgedragen.
137.      Zoo een ongeval op den spoorweg plaats hooft, ■wordt door de zorg van den hoofdconducteur van den trein, dien het ongeval heeft getroffen, van het gebeurde onmiddellijk kennis gegeven aan de bestuurders der spoorweg¬dienst , aan de beambten van den spoorweg wie het aangaat, aan den opziener, belast met het dagelijksch toezigt op den spoorweg, en aan den burgemeester der gemeente, in welke het ongeval hoeft plaats gehad.
Door den chef van het naastbij zijnde station wordt aan¬stonds van het gebeurde per telegraaf kennis gegeven aan den Minister van Binnenlandsche Zaken.
138.      In het geval van het vorig artikel wordt door dc bestuurders der spoorwegdiensten aan den Minister van Binnenlandsche Zaken uitvoerig berigt van het gebeurde gegeven.
139.      leder beambte en bediende van den spoorweg, die kennis bekomt van eenig voorval, waardoor de veiligheid van de dienst in gevaar gebragt. wordt, doet daarvan onmiddellijk mededeeling aan den boven hem gestelden beambte.
140.      De bepaling van het voorgaande artikel geldt ook ten aanzien van de ambtearen, in art. 61 der wet van 21 Augustus 1859 (Staatsblad n°. 98) aangewezen , met dien verstande, dat de mededeeling door hen geschiedt aan de naastbij zijnde beambten of bedienden van den spoorweg.
141.      Wanneer het getal beambten of bedienden niet vol¬deende is, wordt het, nadat de bestuurders der spoorweg¬dienst gehoord zijn, door den Minister van Biunenlandsche Zaken bepaald.
142.      Beambten en bedienden, die naar het oordeel van den Minister van Binnenlandsche Zaken ongeschikt zijn om de hun opgedragen betrekking waar te nemen, worden op vordering van dien Minister, door de bestuurders der spoor¬wegdienst ontslagen.
143.      Onder de uitdrukking „nacht” wordt verstaan de tijd tusschen zonsondergang cn zonsopgang.
144.      Onder „hoofdconducteur’* wordt verstaan de persoon
aan wie de hoofdleiding van of het bevel over den trein is opgedragen.
145.      Door „rijtuig” wordt verstaan elk voertuig voor het vervoer van personen; door „wagen” wordt verstaan elk voer¬tuig voor het vervoer van goederen.
146.      Omtrent het regtstreeksch verkeer mot den vreemde van personen en goederen kunnen door de bestuurders der spoorwegdiensten, onder goedkeuring van den Minister van Binnenlandsche Zaken, regels worden gesteld.
147.      In de gevallen, waarin aan den raad van toezigt is opgedragen ten aanzien van eenige zaak te besluiten, kan door hen, die zich mot het besluit van den raad bezwaard achten, de beslissing van den Minister van Binnenlandsche Zaken worden ingeroepen.
148.      Van de registers, bedeeld in de art. 12, 56, 57, 66, 67 en 77 kan door de personen, in art. 10 der wet van den 21 aten Augustus 1850 (Staatsblad n°. 98) aangewezen, ten allen tijde inzage worden genomen.
149.      Van de bepalingen van de art. 80 tweede zinsnede , 81, 82 en 112 laatste zinsnede, kan voor eene bijzondere soort van treinen door den Minister van Binnenlandsche Zaken ontheffing worden verleend.
150.      Twee jaren na de invoering van dit reglement doet de raad van toezigt een uitvoerig verslag aan den Minister van Binnenlandsche Zaken over de werking daarvan, met de voorstellen tot wijziging, die noodig mogten zijn.