staton haarlem

WET van den 21 Augustus 1859 (Stbl. No 98) houdende bepalingen omtrent het gebruik der spoorwegen.

Op 1 mei 1856 wordt aan de Tweede Kamer een  allereerste wetsontwerp voor een spoorwegwet aangeboden met “Bepalingen ter bevordering van het veilig verkeer langs de ijzeren spoorwegen”
Dit is moet een kleine wet worden met slechts 21 artikelen. Deze voorgestelde wet regelt globaal drie zaken.

1°. de behoefte om aan de Regering de bevoegdheid te verzekeren tot het doen houden van een voortdurend toezigt;
2°. de behoefte om door eene speciale wet straffen te bedreigen tegen sommige misdrijven , welke bij de gewone strafwetgeving óf niet voorzien zijn, of’ welke door eene toepassing daarvan kwalijk worden beteugeld.
3° Elke administratie van eenen spoorweg stelt vast een dienstreglement, waarbij de verschillende verpligtingen der directie en der beambten en bedienden van den spoorweg onderling worden geregeld.
In de memorie van toelichting wordt duidelijk gesteld dat de Regering een uitgebreide wetgeving voor het gebruik van de spoorweg, zoals in de omringende landen het geval is, niet nodig acht.
De regering gaat bij dit onderwerp uit van het gewichtige beginsel, dat de Regering zich behoort te onthouden van alles waardoor zij een gedeelte van haar verantwoordelijkheid op zich zou laden. De wet kan zich naar het oordeel der Regering bepalen tot het leggen van de grondslag van de maatregel van algemeen bestuur en van het bedoelde dienstreglement.

De tweede Kamer is het hier duidelijk niet mee eens en het voorstel wordt afgewezen.

In 1859 komt dan een nieuw voorstel voor een spoorwegwet, de wet “houdende bepalingen omtrent het gebruik der spoorwegen” en die wordt met een wat wijzigingen wel aangenomen. Met ingang van 21 Augustus 1859 gaat deze van kracht.

Het doel van de wet wordt in de Memorie van Toelichting uitgedrukt:
“Het ontwerp stelt slechts regelen ter verzekering dat zij, die vergunning hebben gekregen tot vervoer van personen en goederen over een spoorweg, hunne verplichtingen ten aanzien van de Staat, van het publiek en van bijzondere personen behoorlijk naleven: dat het verkeer over de spoorwegen veilig zij, en dat, waar dit voor het belang van ‘sRijks dienst noodig is, steeds ten behoeve van die dienst kunnen worden gebruikt.
Deze wet heeft daarmee een totaal andere opzet dan het eerdere voorstel en stelt nu vergaande regels.

– Het 1ste hoofdstuk geeft de plichten van de spoorwegonderneming zoals de verantwoordelijkheid voor schade aan personen en goederen tijdens de uitvoering van de dienst en het opstellen van een reglement van dienst.
– Het 2de hoofdstuk regelt het toezicht op de spoorwegdienst, hoe te handelen bij het staken der dienst en het wederom in dienst nemen, maar ook de goedkeuring der tarieven en de mogelijkheid om tarieven te verlagen. Tot slot een mededeling dat bij algemeen maatregel van inwendig bestuur nadere regels gesteld gaan worden over een elftal punten.
– Het 3de hoofdstuk regelt de zorg voor en het verkeer over de spoorweg. De afsluiting van de spoorweg, het verbod om zonder toestemming te graven, op te richten, te bouwen in de nabijheid van de spoorweg,  het verkeer op de spoorweg met voorwerpen te verhinderen en zich zonder toestemming langs de spoorweg te lopen of te rijden.
– Het 4de hoofdstuk het ter beschikking stellen van de spoorwegen in het belang van de rijksdienst. (b.v. in geval van oorlog)
– Het 5de hoofdstuk de strafbepalingen.
– Het 6de hoofdstuk tenslotte de overgangsbepalingen.

Veel van wat in deze wet bepaald wordt komen we ook weer tegen in de latere uitvoeringen van de Spoorwegwet. Je kan best wel stellen dat deze wet van 1859 de basis gelegd heeft voor de spoorwegwetgeving waar we sinds kort afscheid genomen hebben.

De algemene maatregel van inwendig bestuur (de uitwerking van het elftal punten) laat nog even op zich wachten.
Dit wordt dan het “Algemeen reglement voor de spoorwegdienst” vastgesteld bij Koninklijk besluit van 12 Mei 1863, (Stbl. 58).
Dit Algemeen Reglement (AR) is nog duidelijker het volledige omgekeerde van het standpunt van de Regering bij het indienen van het eerste ontwerp in 1856. Dit 150 artikelen tellende reglement bemoeid zich op detail niveau met van alles en nog wat in het spoorverkeer.

Opvallend daarbij is dat het AR zich niet in detail bemoeit met de infrastructuur en het materieel.
Het volstaat met art 21: De weg en de daartoe behoorende werken worden in zoodanigen staat gehouden , dat hij met de grootste snelheid , in art. 93 bepaald , kunnen worden bereden. Voor materieel is een soortgelijk artikel,

Hoewel het veel artikelen zijn, is best aardig het AR eens door te lezen. Het is goed leesbaar en geeft een aardig beeld hoe het spoorverkeer destijds ingericht is.

Ook heel aardig is te lezen hoe toen met gevaarlijke stoffen omgegaan wordt. Een RID in het klein. Die artikelen heb ik gekleurd gemarkeerd in de tekst van het AR die in de bijlage te vinden is (artikel 89 – 92).
Wat met deze wet ook aangepakt wordt is het toezicht op de nieuwe spoorwegwetten. Hiertoe wordt een inspectiedienst in het leven geroepen en geregeld met het BESLUIT van den 4den April 1860 (Stbl. no 15), houdende regeling van het toezigt op de spoorwegdiensten.
Voor de collega’s van ILT is het interessant om in het “Besluit houdende regeling van het toezigt” te lezen hoe rijkstoezicht destijds ingericht is.